Partij van de Zelfdestructie

Afgaande op de overweldigende publicitaire aandacht van de afgelopen weken is de Partij van de Arbeid vandaag en morgen bezig met haar opheffingscongres. Het gaat er nog slechts om wie straks namens de resterende leden de overlijdensakte mag tekenen: het duo Koole/Olij, Bart Tromp dan wel Sharon Dijksma. Allen kandidaat-voorzitters van een – volgens hun eigen analyse – nagenoeg failliete boedel.

Nederland heeft het geweten dat de PvdA een nieuwe voorzitter ging kiezen! Geen krant of nieuwsprogramma op radio en tv dat er géén uitgebreide aandacht aan heeft besteed. Zo zagen we Sharon Dijksma, het vanuit het Haagse partij-establishment geparachuteerde jonge overjarige `talent', zich verplaatsen van talkshow naar talkshow, telkens dezelfde inhoudsloze zinnen kwebbelend. Daarbij op de voet gevolgd door Bart Tromp die op zijn beurt de rol als betweterige en wat sikkeneurige `oom van buiten' met verve speelde. Meters tekst, uren zendtijd, zelden echt interessant.

Toch heeft deze `overexposure' weinig te maken met de PvdA als zodanig. Veel eerder lijkt de onmatige aandacht voor de verkiezing van wat toch in wezen niet meer is dan een `functionaris' het gevolg van een te veel aan media en een gebrek aan echt politiek nieuws. De verslaggeving rondom het nieuwe voorzitterschap is een schoolvoorbeeld van wat in de wetenschap wordt aangeduid als de steeds dominantere factoren hoopla en horse race: buitensporige belangstelling voor sfeer en het wedstrijdelement. Een aanpak die ten koste gaat van de inhoud.

Aan de voorwaarden voor hoopla en horse race voldeed de voorzittersstrijd volledig. Ter verdediging kan worden aangevoerd dat er inhoudelijk bitter weinig viel te melden. De kandidaten hebben er werkelijk alles aan gedaan om inhoudelijk zo min mogelijk van elkaar te verschillen. Allemaal gaven ze aan vastbesloten te zijn de partij weer terug te geven aan de leden. Wat zodoende overbleef waren de onbestemde `cultuurverschillen' tussen de kandidaat-voorzitters: moest het iemand zijn uit het Haagse of juist niet?

De PvdA kiest dus een voorzitter, nou en? Van de vorige voorzitter van de PvdA was alleen maar bekend dat ze aantrad en na ruim een jaar weer aftrad. Maar van haar eigenlijke werkzaamheden als voorzitter is aanzienlijk minder verslag gedaan. Simpelweg omdat het voorzitterschap van een politieke partij niet zoveel te betekenen heeft. Maar dankzij het mediaspektakel kan de nieuwe voorzitter van de PvdA straks in elk geval bogen op enige naamsbekendheid. Iets dat zijn of haar collega-voorzitters van andere partijen niet kunnen zeggen.

Dat die andere partijen zo geruisloos hun voorzitters kunnen kiezen – als er tenminste wat te kiezen valt – is natuurlijk veelzeggend. Aan de PvdA zit vastgeklonken dat zij de meest politieke van de politieke organisaties is en daarom altijd kan rekenen op buitengewone belangstelling. De PvdA is de metafoor voor de politiek in zijn geheel. Daarom is het ook zo onzinnig te beweren dat de PvdA in een malaise verkeert. Want het is de totale politiek die in een malaise verkeert. Met uitzondering van de Socialistische Partij en de kleine christelijke partijen zijn bij alle politieke partijen de leden en masse weggelopen.

En bij welke andere regeringspartij leeft het interne debat nu wel volop? De oppositie heeft het wat dat betreft gemakkelijker, want zoals bijvoorbeeld het CDA sinds 1994 ondervindt, verloopt het vaststellen en bewaken van de eigen koers buiten de regering een stuk minder krampachtig dan wanneer tegelijkertijd bestuursverantwoordelijkheid wordt gedragen. Toch kan onmogelijk gezegd worden dat binnen het CDA, of GroenLinks het politieke debat wel springlevend is.

De vragen waar de PvdA voor staat gelden voor alle grote partijen. Niet alleen de PvdA staat voor de afweging tussen een actieve ledenpartij en het veel afstandelijker `Greenpeacemodel'. Bij de PvdA is de probleemstelling manifester omdat de leden een assertiever instelling hebben. Zowel bij de VVD als bij de PvdA hebben de leden volgens de statuten macht. Het verschil is echter dat de leden van de PvdA die macht zo nu en dan ook opeisen. Dat blijft vervolgens niet onopgemerkt. De strijd om het eigen gelijk is – zolang deze maar op veilige afstand van het Haagse machtscentrum wordt gevoerd – binnen de PvdA een tot grote hoogte verheven kunst. Het blad Socialisme en Democratie van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA staat er maandelijks vol mee en is daardoor veruit het meest interessante Nederlandse politieke periodiek.

Voor een partij die eenheid wil uitstralen – iets dat de kiezer verlangt – is deze strijdcultuur die vaak trekken van zelfdestructie vertoont daarentegen een regelrechte ramp. Maar als een partij haar leden nog serieus wenst te nemen is het een even onmogelijke als onvermijdelijke spagaat. Toch krijgen de interne partij-discussies steeds meer de trekken van een achterhoedegevecht. Het aantal leden waarover de PvdA beschikt is al niet eens meer voldoende voor één Kamerzetel. Maar de groep actieve leden daarbinnen kalft in een nog hoger tempo af. Hoe representatief zijn die paar duizend partijgangers nog voor alle mensen die op de PvdA stemmen?

Van doorslaggevend belang voor elke politieke partij blijft uiteindelijk de electorale positie. Het eigenaardige is dat deze positie voor de PvdA helemaal niet zo slecht is en totaal niet overeenkomt met alle apocalyptische verhalen. In de peilingen scoort de PvdA slechts enkele zetels minder dan bij de verkiezingen van 1998 toen 45 zetels werden behaald. De situatie is totaal onvergelijkbaar met die van begin jaren negentig toen de PvdA volgens de verkiezingsonderzoeken op een gegeven moment meer dan gehalveerd dreigde te worden.

Het probleem zit bij de PvdA als ledenorganisatie, maar daarmee loopt de partij gewoon mee in de algemene a-politieke trend die alle grote partijen treft. De neergang is anders gezegd een gegeven. Maar gegevenheden zijn aan een partij als de PvdA – die nog altijd een wereld heeft te winnen – nu eenmaal niet besteed.