Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, hield van pesten. Maar hij noemde het iemand te pakken nemen. Toen oom Job en tante Dith pannenkoeken kwamen eten, had hij iets bedacht, en tante Dith zou de klos worden. Oom Dit en tante Dat zoals wij ze altijd noemden kwamen al vroeg, en ze hadden enorme trek. Vooral tante Dat die hield van hele dikke pannenkoeken. Ze zou er wel tien op kunnen. Toen mijn moeder de eerste schep beslag in de pan gooide, ging mijn vader haar zogenaamd helpen. 's Morgens had hij al uit een oud laken kleine ronde lapjes geknipt en die haalde hij tevoorschijn. Toen de pan ging sissen, gooide hij bovenop het beslag het lapje, en daarna deed mijn moeder er weer beslag bovenop. Het lapje katoen werd dus meegebakken, en je zag het niet. Wel was hij iets dikker.

Mijn moeder kwam daarna binnen met een grote schaal pannenkoeken. Ze zette stroop en suiker klaar. Terwijl wij onze namen met stroop op de pannenkoek schreven, gaf mijn vader haar een knipoogje. ,,Jij lust zeker wel een lekkere dikke Dithje', zei hij tegen mijn tante, en gaf haar de lapjespannenkoek.

,,Het water loopt in mijn mond Arie', zei ze tegen m'n vader.

Vijf minuten later zat ze nog aan haar pannenkoek te snijden en te trekken. Je zag het zweet op haar bovenlip.

,,Is je mes zo bot Dithje', zei mijn vader, ,,je mag mijn mes wel even'.