Mathematicus, moralist, monster

`Telescopische menslievendheid' luidt de titel van een hoofdstuk uit Bleak House van Charles Dickens. Daarin steekt de vrouw des huizes zoveel energie en tijd in een ontwikkelingsplan ten bate van de Afrikanen dat haar eigen gezin er onder lijdt. `Verbeter de wereld en begin bij jezelf' is ook de moraal die Ray Monk trekt uit het leven van de filosoof Bertrand Russell in het tweede deel van zijn biografie, The Ghost of Madness, 1921-1970.

Toen Bertrand Russell op 2 februari 1970 overleed was hij een beroemd man die staatshoofden toesprak en kapittelde alsof het de gewoonste zaak van de wereld was; een houding die kenmerkend is voor de Engelse aristocratie uit de negentiende eeuw, de eeuw van Dickens en van Russell. Dezelfde Russell liet, volgens Monk, ook een familie na van psychische wrakken aan wie hij zijn steun en liefde had onthouden, alsof hij niet wilde laten blijken dat hij emoties had.

Russell werd geboren in 1871. Zijn ouders overleden op jonge leeftijd. Hij werd opgevoed door zijn grootouders, vooral door zijn grootmoeder, want zijn grootvader Lord John, die in 1832 de Reform Bill geïntroduceerd had in het parlement en premier van Engeland was geweest, stierf toen zijn kleinzoon zes jaar oud was. Op het sprookjesachtige landgoed Pembroke Lodge, Richmond, bij Londen, groeide Russell eenzaam op. Waren zijn ouders echt overleden of hadden ze hem voor straf achtergelaten bij zijn grootouders?

Zijn intellectuele `Hochleistungsperiode' wordt gevormd door de jaren die hij in Cambridge doorbracht, eerst als student, later als fellow. Hij schreef The Principles of Mathematics (1901) en publiceerde in 1905 het artikel On denoting, waarin hij zijn beroemde theorie van beschrijvingen uiteen zette.

Russells volgende grote prestatie was de voltooiing van Principia Mathematica. In dit boek probeerde hij een gedeelte van de uitspraken van de wiskunde te grondvesten op logische uitspraken. Officieel voerde hij dit project uit samen met A.N. Whitehead, maar het was algemeen bekend dat Russell het zware denkwerk had verricht. Zelf schrijft hij daarover dat zijn intellect nooit meer hersteld is van deze zware inspanning. Dit was één van de redenen waarom hij zich ging toeleggen op minder abstracte problemen, zoals politieke.

Een andere reden was ongetwijfeld de confrontatie met Ludwig Wittgenstein, die aanvankelijk zijn leerling was, maar zich al snel aandiende als zijn gelijke, zo niet zijn meerdere. Russell zag zich gedwongen zijn volgende onderneming, het schrijven van een kentheorie, af te breken, omdat hij inzag dat Wittgensteins kritiek op dit werk terecht was.

Waanzin

De Eerste Wereldoorlog brak uit, Russell bleef trouw aan zijn pacifistische idealen en betoogde tegen de oorlog. Wegens zijn voortdurende pacifistische propaganda werd hij in hechtenis genomen. In de gevangenis schreef hij An Introduction to Mathematical Philosophy, een van zijn beste boeken. Na de oorlog, in 1921, reisde hij naar Rusland. Aan die reis hield hij de levenslang volgehouden overtuiging over dat het communistische regime niet deugde. Anders lag dat met China, dat hij in datzelfde jaar bezocht en waar hij zijn leven lang een zwak voor hield.

Op zijn reis door China werd hij vergezeld door Dora Black, die van hem zwanger raakte. Russell wilde graag vader worden, scheidde derhalve van zijn eerste vrouw met wie hij al enige tijd niet meer samenleefde, en trouwde met Dora.

Op dit punt begint het tweede deel van Ray Monks biografie. Monk gebruikt de ingrediënten uit de eerste helft van Russells leven om een portret te schilderen van het monster dat zich volgens hem in de tweede helft van het leven van deze briljante filosoof ontpopte. De feiten zijn tragisch genoeg. Samen met zijn eerste vrouw, Alyss, had Russell besloten geen kinderen op de wereld te zetten, uit angst de geestesziekte die in beide families was voorgekomen door te geven aan een volgende generatie. Zijn leven lang werd Russell achtervolgd door het spookbeeld dat ook hijzelf ten prooi zou vallen aan de waanzin. Deze laatste vrees bleek ongegrond.

Samen met zijn tweede vrouw kreeg Russell een zoon, John, een paar jaar later gevolgd door een dochter, Kate. Deze zoon was schizofreen, een psychiatrisch ziektebeeld dat zich meestal tussen het twintigste en dertigste levensjaar openbaart. Deze diagnose werd overigens pas gesteld toen John zelf al twee dochters had verwekt bij een Amerikaanse vrouw die hoogstwaarschijnlijk aan dezelfde ziekte leed. Twee decennia later bleken deze meisjes ook schizofreen te zijn.

Vanwege de kinderen waren Russell en zijn vrouw naar Cornwall verhuisd. Russell was in die jaren behaviorist en hij geloofde dan ook in conditionering: goed gedrag belonen en slecht gedrag bestraffen. John was bang voor de zee en Russell gooide hem daarom iedere dag in het water om met hem te zwemmen. Monk voegt daar aan toe: `Op deze manier, misschien, was Johns `irrationele' angst voor de zee vervangen door een geheel rationele angst voor zijn ouders.'

Russell had een zogenaamd open huwelijk met zijn tweede vrouw Dora. Zij was daarin minder subtiel en wellicht ook eerlijker dan hij. Na enige jaren huwelijk raakte zij in verwachting van een andere man. Russell accepteerde het kind als zijn eigen en ging zelfs met zijn gezin op vakantie in gezelschap van de biologische vader. Monk besteedt hier weinig woorden aan, maar staat wel uitgebreid stil bij het feit dat Russell, jaren na de scheiding van Dora, de naam van deze aangenomen dochter wilde laten schrappen uit een boek over adellijke families.

De scheiding van Dora was onafwendbaar geworden, toen zij voor de tweede maal zwanger was geraakt van dezelfde man. Russell trouwde kort daarop met de 22-jarige studente geschiedenis Patricia Spence, die twee jaar als gouvernante voor zijn kinderen had gediend. Ook dit huwelijk was niet gelukkig, maar het werd overschaduwd door de Tweede Wereldoorlog. Russell bracht de oorlogsjaren grotendeels in de Verenigde Staten door, samen met Patricia en hun zoon Conrad. Zijn kinderen John en Kate verbleven aan de westkust. Russell kreeg een aanbieding om hoogleraar te worden aan het College van de stad New York. Deze aanstelling ging op het laatste moment niet door, omdat de anglicaanse bisschop van New York een succesvolle campagne begon tegen `een man die een erkend propagandist is tegen religie en moraal, en die overspel verdedigt'.

Russell accepteerde daarop een baan als docent aan een privé-universiteit in Philadelphia. De colleges die hij daar gaf vormden het uitgangspunt voor De geschiedenis van de westerse filosofie, een boek dat zo goed verkocht werd dat Russell financieel onafhankelijk werd.

Zijn pacifisme had hij inmiddels opgegeven. Hij verklaarde publiekelijk tegen iedere totalitaire staatsvorm te zijn. Na de oorlog hield hij dat vol. Hij betoogde dat de wapenwedloop alleen zou stoppen, wanneer de Verenigde Staten de Sovjet-Unie zouden dreigen kernwapens te gebruiken, tenzij Stalin internationale controle zou toelaten. Toen de Sovjet-Unie in 1949 zelf over atoomwapens beschikte, was deze redenering niet langer sluitend. Dit leidde een ommekeer in Russells politieke opvatting in. Hij werd steeds kritischer over de Verenigde Staten.

Dankzij deze politieke activiteiten werd hij nog bekender dan hij al was; zelfs zo bekend dat hij tijdens de Cuba-crisis meende te kunnen bemiddelen. Hij zond telegrammen aan Kennedy en Chroesjtsjov. Aan Kennedy schreef hij: `Uw actie wanhopig. Bedreiging menselijke overleving. Geen rechtvaardiging denkbaar. We zullen geen massamoord krijgen. Ultimata betekenen oorlog. Stop deze waanzin.' Kennedy negeerde het telegram, maar Chroesjtjsov liet het Russische persbureau Tass een open brief aan Russell publiceren, waarin hij een verzoenende toon jegens de Verenigde Staten aansloeg.

Monk heeft voor Russells politieke opvattingen niets dan hoon en spot over. Hij noemt ze `banaal', `politiek blind' en `verbazingwekkend simpel'. Dit harde oordeel staat in schril contrast met dat van de Oxfordse hoogleraar politieke wetenschappen, Alan Ryan, die in Bertrand Russell. A political life een positiever beeld schetst van Russells politieke carrière. Men zou daarom verwachten dat Monk zijn negatieve conclusies op basis van overtuigende argumenten zou rechtvaardigen, maar dat lukt hem niet. Hij citeert lukraak uit Russells oeuvre zonder te kijken naar de historische context.

Complexe persoonlijkheid

Hoe groot de hekel is die Monk heeft aan het onderwerp van zijn biografie blijkt echter vooral uit zijn beschrijving van Russells gezinsleven. In 1949 werd zijn derde huwelijk ontbonden. Russell leefde een jaar lang alleen en teruggetrokken in Noord-Wales. In 1950 kocht hij een huis in Londen, dat hij samen met het gezin van zijn zoon John betrok. Voor zijn ogen zag de inmiddels 80-jarige Russell het gezin van zijn zoon uiteenvallen. Ook de komst in dit huis van zijn vierde echtgenote, Edith, kon geen ommekeer bewerkstelligen.

John moest verpleegd worden in een psychiatrisch ziekenhuis, maar weigerde vrijwillige opname. Zijn moeder Dora steunde hem in deze houding. Russell was voor gedwongen opname, ofschoon dat zou betekenen dat zijn zoon hem niet zou kunnen opvolgen als de vierde Lord Russell. Ondertussen zorgden Russell en zijn vierde vrouw voor de kinderen van John. Die meisjes werden dus, net als Russell bijna een eeuw daarvoor, opgevoed door hun grootouders. Monk degradeert deze daad van zelfopoffering tot een zelfzuchtige.

Het dieptepunt in deze biografie vormt het slothoofdstuk. De jongste en slimste van Russells kleinkinderen wordt na de dood van haar grootvader ook schizofreen. In 1975, vijf jaar na Russells dood, overgiet ze zichzelf met paraffine en steekt zich in brand. Monk suggereert dat ook haar dood op de een of andere manier op Russells conto geschreven moet worden. Deze beschuldiging is onterecht. Monk heeft niet alleen Russells filosofie niet goed begrepen, zoals in het eerste deel van zijn biografie duidelijk werd, uit dit tweede deel blijkt dat hij ook te beperkt van geest is om Russells complexe persoonlijkheid te kunnen vatten.

Ray Monk: Bertrand Russell The Ghost of Madness, 1921-1970. Jonathan Cape, 547 blz. ƒ99,50