Mao & Bob

Niemand kon de verlorenheid van de reiziger zo goed verwoorden als de schrijver Bob den Uyl. In het geboortedorp van Mao Zedong werd Ian Bruruma overvallen door Uyliaanse paniek.

Laatst, na een bezoek aan het geboortedorp van Mao Zedong, moest ik opeens denken aan Bob den Uyl. U vraagt zich waarschijnlijk af wat Mao en Bob den Uyl in godsnaam met elkaar te maken hebben, en ik geef toe, dat verband is ver te zoeken. Het gaat dan ook meer om Bob en mijzelf dan om Bob en Mao.

Als ik reis om te schrijven, doe ik dat meestal alleen. Een tweemanschap, laat staan nog meer, schept zijn eigen min of meer afgesloten wereld, en dat is een belemmering voor een schrijver. Je staat dan te weinig open. Het toeval wordt beperkt. Maar de solo-reiziger moet wel rekening houden met problemen die hem of haar op elk moment kunnen overvallen. Ik heb het hier niet zozeer over materiële problemen – het bemachtigen van treinkaartjes, het vinden van een hotel, en dergelijke – als over geestelijke valstrikken.

In mijn ervaring slaat het noodlot onherroepelijk toe, vaak op de dag van aankomst in een treurige provinciestad. Je zit in een sjofele hotelkamer in een buitenwijk van Leipzig, Nagoya, of Luik; het regent buiten; je kent niemand; het enige lokale telefoonnummer, van een bekende thuis meegekregen, blijkt geen aansluiting meer te geven; het reisdoel is vaag; je weet eigenlijk niet hoe je de volgende vierentwintig uur door moet komen. En dan komt het: een gevoel van paniek, gemengd met claustrofobie, en zelfs een vleugje paranoia. Met persoonlijk gevaar heeft dit niets te maken. Het gaat om een gevoel van absolute zinloosheid, van de reis zelf, van het verblijf in dat sjofele hotel in die treurige stad, en, als je niet oppast, en je je niet op tijd weet te vermannen, van het menselijke bestaan.

Dat moment nu, van existentiële paniek, wist Bob den Uyl als geen ander te beschrijven. Het hoeft niet noodzakelijk in een hotel te gebeuren. Het kan overal. In een warm en vol theater in Londen, bijvoorbeeld, waar Den Uyl zich tegen zijn zin heeft laten meeslepen door een saai Engels echtpaar om een musical te zien: ,,Het gevoel dat mijn maag begon af te geven; de haastig gegeten maaltijd drukte als een omvangrijke zweetvoet tegen mijn ingewanden. Langzaam voelde ik mijn nek opzetten en rood worden. Het idee dat we nog eens de pauze zouden bereiken leek belachelijk, maar na een afgrond van tijd was het toch zover.''

En dit is nog maar het begin, het hors d'oeuvre als het ware. Na de pauze komt het ware werk: ,,Ik deed mijn ogen weer dicht, maar kon dat niet volhouden; ik moest kijken naar het gebeuren op het toneel. Wat gebeurde daar eigenlijk? En langzamerhand raakte ik in die onwerkelijke toestand van identiteitsverlies; ik voelde het groeien en probeerde me te verzetten, maar onverzettelijk als een vloedgolf kwam het over me. Wie was ik? En als ik al iemand was, wat deed ik hier dan?''

Het kan, zoals ik zei, overal gebeuren. Den Uyl werd het vooral in Duitsland vaak te machtig: in Ruedesheim, bij het Germaniamonument, of in Neurenberg, op zoek naar het Zeppelinfeld. Maar ook dichter bij huis, in Assen, op de tribunes van de TT races, of in Den Haag, bij het bezoek aan een kermis op Koninginnedag. Den Uyl greep, als het te veel werd, meestal naar de dichtstbijzijnde fles gevuld met alcohol. In Ruedesheim: ,,In de supermarkt nam ik een halve Bismarck, twee flessen Sprudel en een plaatselijke krant. Bij de kassa kreeg ik het zo benauwd dat ik niet op het wisselgeld kon wachten en naar buiten wankelde.''

Den Uyl – en dit blijkt misschien niet meteen uit de zojuist geciteerde fragmenten – was een meesterlijke humorist, wat in de Nederlandse literatuur misschien geen zeldzaamheid, maar dan toch ook niet in overmaat aanwezig is. Zijn voornaamste komische figuur was natuurlijk Den Uyl zelf, een soort Rotterdamse monsieur Hulot, zwervend op zijn Fongers door Europa. Kenners van zijn oeuvre weten van zijn obsessies: de loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog, de Belgische volksaard, de Duitse huichelarij over de oorlog, de bekrompenheid van de Franse provincie. Maar dat zijn eigenlijk bijzaken, want zijn thema is de absurditeit, de absolute zinloosheid van het bestaan. En daaruit putte hij, net als Samuel Beckett, zijn humor.

De eenzame reis is als het leven zelf. Je probeert het panische gevoel van zinloosheid op een afstand te houden door je tijd te vullen met bezigheden, met werk, met een zelfgekozen of door anderen bedacht `doel', met amusement of met seks. Toeristen reizen met allerlei foto- en filmapparatuur om zichzelf het idee te geven dat ze ergens mee bezig zijn, dat het niet allemaal voor niets is. En als je, zoals Den Uyl, de volstrekte zinloosheid van dit alles doorziet, wordt het menselijk gedrag uiterst komisch, en af en toe, als het allemaal weer even te veel wordt, diep treurig. (Misschien dat hierin de verklaring ligt waarom clowns zo vaak zwartgallig zijn.)

Alweer, Den Uyl zelf is de hoofdfiguur in zijn komedie. De manier waarop hij zijn omzwervingen een zin tracht te geven, de futiele zoektochten naar onzinnige monumenten, de mislukte erotische avonturen, de potsierlijke pogingen om als verslaggever op te treden bij sportevenementen, dit alles beschrijft hij met een quasi ernst, die elke Uylse zin doordrenkt met ironie. De TT races in Assen bijvoorbeeld: ,,Als ik een uurtje zit en wat aan het geronk gewend ben, doe ik de ontdekking dat het ontbreken van motorgebrul een onprettige leegte doet ontstaan, een soort suizende afgrond die alweer wordt gevuld als een motor voorbijkomt. Het lijkt me niet onmogelijk dat hier een sleutel ligt tot de aantrekkingskracht van de sport; bij verdere gewenning zou er best wel eens een lichamelijke behoefte aan oorverdovend geluid kunnen ontstaan. Verblijd noteer ik deze ontdekking op mijn blocnote. Zo, daar staat tenminste wat op.''

Er zijn misschien mensen die dit een beetje melig vinden, en misschien zelfs ook hautain ten opzichte van ware sportliefhebbers, maar de Uyliaan geniet van dergelijke schitterende illustraties van het menselijk gedrag: alles om de afgrond van tijd te dekken, en de stilte te verbreken, met gedoe, met lawaai, met onzin.

Religie is een andere manier waarop mensen zin trachten te geven aan het leven, en zelfs aan de dood. En dat is de reden waarom ik op weg was naar het geboortedorp van Mao Zedong. Want Mao is nu verheven tot een god in het pantheon van Chinese volksgoden, naast de Gele Keizer, en andere legendarische figuren uit de Chinese oudheid. Ik had verhalen gehoord en gelezen over hoe een amulet met het portret van Mao mensen het leven had gered bij vreselijke ongelukken, en hoe zijn geboortedorp, Shaoshan, een paar uur rijden van Changsha, hoofdstad van Hunan, een soort bedevaartsoord was geworden. Dit nu wilde ik weleens zien.

Mijn bedevaart begon in Changsha, waar ik het provinciemuseum heb bezocht, om daar, onder felle neonbuizen, de relikwieën van de grote Voorzitter te bezichtigen. De voorwerpen waren uitgestald in twee grote zalen. Mao's pen en inktpot, zijn metalen chocoladedoos, zijn kam, zijn tandenborstel, zijn schoolboeken, zijn zwembroek en zijn kamerjas waren daar te zien, en ook een selectie uit zijn nu wat vale ondergoed. Dat is het aardige van een pantheïstische traditie: zelfs een goddelijk mens blijft toch nog mens.

Shaoshan bezocht ik in een minibus met een reisgezelschap, dat, behalve mijzelf, bestond uit een Chinees gezin uit het zuiden van Hunan. Dat gezin praatte luid onder elkaar terwijl de reisgids een toespraak hield, geheel voor mij alleen, over de moraal die onder Mao zoveel beter zou zijn geweest dan tegenwoordig. De mensen waren toen niet zelfzuchtig, dachten niet aan geld, en meer van dien aard. Het betoog was misschien overtuigender geweest als de reisgids zelf niet pas enige jaren na de dood van Mao geboren was.

Het weer was erbarmelijk: ijskoud en regenachtig. Het was maandag, dus er was weinig volk. Het gigantische parkeerterrein voor het bronzen standbeeld van Mao was leeg. Maar er stonden wel overal stalletjes waar men maoïstische prullaria kon kopen: foto's van Mao, handdoeken met een fraai geborduurde Mao, potloden, pennen, ballpoints en theekoppen met Mao, sleutelringen, aanstekers, asbakken en ruggekrabbers met Mao, en niet te vergeten, de gouden amuletten met Mao, die voorspoed zouden brengen, en ongelukken voorkomen. Er lagen ook plastic bollen met Mao op tafel, die, bij het schudden, geen sneeuwvlokken maar gouden muntjes regenden. Elk stalletje had bovendien een keur van videobanden en cassettes met Mao. Maar omdat het zonde zou zijn die cassettes zomaar te spelen, werden zij alleen aangezet als wij in de buurt kwamen. Dit had het merkwaardige effect dat je telkens werd achtervolgd door Mao's stem en het miljoenenkoppige geschal van rode boekjeszwaaiende Rode Gardisten.

Terwijl het Chinese gezin bezig was foto's van elkaar te maken voor het Maobeeld, vertelde de reisgids mij over het mirakel van Shaoshan. Het zes-meter-hoge Maobeeld werd in december 1993 onthuld door president Jiang Zemin. Winters in Hunan zijn altijd koud en nat. Ook dat jaar was het weer ellendig geweest. Maar precies op het moment dat Jiang het doek van Mao's hoofd liet glijden kwam niet alleen de zon in haar volle glorie tevoorschijn, maar ook de maan scheen door de wolken. Zodra haar verhaal uit was, werden wij door de gids naar een winkel geleid waar men foto's van dit mirakel kon kopen. Het gezin uit Zuid-Hunan kocht een mooie grote foto in een gouden rococo lijst.

Ondanks het ijzige weer, het maoïstische lawaai, en het oneindige parkeerterrein, kon ik een en ander wel waarderen. Het werd mij pas die avond, na onze terugkeer in Changsha, plotseling te veel. Ik had nog enkele dagen in Changsha voor de boeg. Ik kende er geen hond. Ik liep op straat. Het was nog geen tijd om te eten. Het weer werd allengs slechter, en de Uyliaanse symptomen begonnen zich te manifesteren: angstzweet, claustrofobie, een paniekgevoel van wat-doe-ik-hier, en een haast onweerstaanbare neiging om naar de fles te grijpen. In plaats van een bar ging ik een etablissement binnen waar men zich door blinden kon laten masseren. Misschien dat dat mij goed zou doen. Het was althans een manier om de afgrond van tijd te overbruggen.

En zo lag ik lag daar, op mijn buik, met mijn gezicht in een donker gat gepropt in het harde tafelbed, terwijl een blinde Chinees mijn rug kneedde en daarbij in haast onverstaanbaar Hunanees een lopend commentaar gaf over alle kwalen die ik onder de lenden had. Mijn hart begon sneller te kloppen. Wat deed ik hier? Ik wilde weg, zo snel mogelijk. De blinde man zei dat ik nog een goed halfuur te gaan had.

En toen kwam het moment dat ik aan Bob den Uyl moest denken, en aan het feit dat ik al jarenlang een artikel over hem had willen schrijven, over mijn overtuiging dat zijn verzameld werk hoognodig opnieuw moet worden uitgegeven, en dat er ook eindelijk eens een Den Uylprijs moet komen, en een Den Uylgenootschap voor uitgelezen Uylianen. Een Bob den Uylstraat lijkt mij eigenlijk nog het minste, een straat met een fietspad, ergens in een buitenwijk tussen Dordrecht en Rotterdam, een straat die door stedenplanners ooit is bedacht, maar nooit is afgemaakt, een straat dus die nergens toe leidt.