`Joyce bouwt uit een zandkorrel een heel universum'

Salman Rushdie, auteur van het Boekenweekgeschenk werd door James Joyce's `Ulysses' meegesleurd, alsof het boek raketbrandstof was.

De vleugel van het Rijksmuseum lijkt op een vesting. Zijn lijfwachten (naast zijn vaste nog drie van de gemeente Amsterdam) zijn even een kopje koffie drinken en de enkeling die achter Salman Rushdie langs loopt, kijkt hij met een halfverstoorde, halfverontruste blik na. Er moeten veel beelden spoken door het hoofd van de man die dit jaar het Boekenweekgeschenk schreef: angstbeelden, toekomstbeelden, beelden van oude mythen en moderne internetsagen. Ergens in dat superactieve brein waart ook de geest van de in Ierland geboren schrijver James Joyce (1882-1941). Rushdie: ,,Joyce is altijd in mijn gedachten, ik draag hem overal met me mee.''

Wie het was die hem attendeerde op Ulysses (gepubliceerd in Parijs in 1922) weet Rushdie niet meer, wel dat het in het eerste jaar van zijn studie geschiedenis was. ,,Iedereen zei dat het zo'n gesloten boek was, moeilijk om in door te dringen, maar dat vond ik helemaal niet. Je hoort nooit iemand zeggen dat er zoveel humor zit in het boek, dat de personages zo levendig zijn of dat het thema – Stephen Dedalus op zoek naar zijn verloren vader en Bloom op zoek naar zijn verloren kind – zo ontroerend is. Mensen hebben het over de cleverness van Ulysses en over zijn taalkundige vernieuwing. Ik vond het vooral ontroerend.''

Stephen en Bloom, dat waren de personages die hem direct grepen. Hij citeert uit het hoofd: ,,Leopold Bloom ate with relish the inner organs of beasts and fowls''. Het zijn de eerste regels van het tweede hoofdstuk. ,,Zelf walg ik nu juist van dat soort organen'', grinnikt hij. ,,Er zijn zoveel kleine dingen waar ik nog steeds om moet glimlachen als ik eraan denk. Die advertentie bijvoorbeeld: `What is home/ without Plumtree's Potted Meat?/ Incomplete'. Dat is nog steeds grappig. Joyce gebruikte veel stijlmiddelen die in zijn tijd nieuw waren, krantenkoppen bijvoorbeeld. Het is toch ook ontroerend dat hij Ulysses laat afspelen op de dag dat hij zijn vrouw ontmoette! Hij bewaarde die krant, had hem altijd bij zich en gebruikte er alle details van, tot de namen van de paarden in de races aan toe. Hij bouwde kortom een universum uit een zandkorrel. Dat was voor mij een openbaring: zo kon je dus ook schrijven! Voor iemand die schrijver wilde worden, zoals ik, was het zo volmaakt, zo inspirerend, dat je ervan moest bijkomen. Ik heb een tijdje gedacht: ik stop ermee, ik word advocaat. Later bedacht ik dat er misschien toch nog wat dingetjes te doen waren.''

Zoals op het gebied van de vernieuwing van de taal? ,,Joyce sprak zich uit tegen de politisering van de literatuur, maar zijn taal is een heel bewuste poging om een Engels te creëren dat nu eens geen eigendom was van de Engelsen. Hij gebruikt een heleboel leenwoorden uit andere Europese talen en schept een on-Engels Engels.'' Was dat ook niet het oogmerk van Rushdie zelf? ,,Jazeker. De Ieren deden het, de Amerikanen en de Caraïbische schrijvers ook. Terwijl het Engels zo rondreisde, voelden mensen de noodzaak het te vernieuwen. Ik ook. Maar de Joyceaanse vernieuwing is de grootste van allemaal. Het is een voorbeeld dat navolging verdient.''

En Joyce's beroemde monologue intérieur? ,,Die stream of consciousness was geen uitvinding van Joyce, maar hij gebruikte hem subtieler dan wie dan ook. Blooms innerlijke stemmen gaan over heel gewone dingen, over een hongerig gevoel of zo. Joyce toont aan dat het materiaal uit het gewone leven net zo groots kan zijn als welk groot epos dan ook. Ook het leven van gewone mensen is grote kunst waardig. Je kunt grandeur scheppen uit banaliteit. Dat was precies de kritiek die Virginia Woolf had op Joyce. Woolf was daar wat te snobistisch voor.''

Het mooiste voorbeeld van de stream of consciousness vindt Rushdie ,,natuurlijk'' Molly Blooms monoloog aan het eind van het boek. ,,Ik kon er vroeger hele stukken van opzeggen: `and first I put my arms around him yes and drew him down to me so he could feel my breasts all perfume yes and his heart was going like mad and yes I said yes I will Yes.' Dat slot is absolutely rocketfuel at the end. Je hebt een boek achter de rug waarin het gedrag van mensen niet bepaald doorzichtig is en dan opeens voel je niet alleen de huid van die vrouw, maar haar hele lichaam, al haar vlees en bloed, dat is een verbijsterende climax. Ook erg erotisch natuurlijk, hoewel de roman tot dan toe allesbehalve erotisch was. In die tijd strekte de literatuur zich niet uit tot de erotiek, tot de seksuele fantasieën van vrouwen. Onmogelijk je voor te stellen dat Virginia Woolf zoiets deed.''

Ulysses is wel beschouwd als een nationaal epos over Ierland. ,,Het is een groots eerbetoon aan het land dat hem nooit heeft begrepen'', zegt Rushdie. ,,Daar werd hij beschouwd als een pornograaf en godslasteraar. Nu wordt hij gezien als Ierlands nationale monument. Tja, dat is gemakkelijk. Ik begrijp wel hoe Joyce zich voelde. Ik sta dicht bij hem. Ik voel verwantschap, niet zozeer tussen onze vormen van schrijverschap, alswel tussen zijn oog en oor, zijn geestestoestand, en de mijne. De manier waarop je naar dingen kijkt.''

Toch, vrienden zouden ze niet geworden zijn, denkt hij. ,,Joyce was niet goed in vriendschap. Er gaat een verhaal over zijn put-down van Samuel Beckett, die hem verafgoodde en vaak bij hem langskwam. Tegen hem zei hij doodleuk dat hij maar van twee mensen op de wereld hield: de eerste was zijn vrouw, de tweede zijn dochter. Zijn enige ontmoeting met Proust was ook erg komisch. Joyce en Proust troffen elkaar bij het verlaten van een feest. Proust had zijn koets voor de deur staan en was van top tot teen ingepakt, doodsbang om kou te vatten. Joyce springt onuitgenodigd in de koets, steekt een sigaar op en doet het raam wijdopen. Proust zegt geen woord, Joyce ook niet. Het is net een stomme film. Twee meesters van het woord, die niets tegen elkaar zeggen en zich toch helemaal blootgeven. Fantastisch!''

In Portrait of the artist as a young man noemt Joyce de wapens waarmee een schrijver zich kan verweren tegen de buitenwereld: stilte, ballingschap en list. Zijn dat wapens die Rushdie herkent? ,,Ach, dat was in de tijd van Joyce een heel goede formule. Joyce vond, net als Voltaire, dat een schrijver in de buurt van een grens moest wonen, zodat hij direct weg kon als er problemen ontstonden. Tegenwoordig werkt dat niet meer: dat heb ik aan den lijve kunnen ervaren. En stilte is een overschatte kunstvorm, die mensen je nu juist veel te vaak opleggen.''

Maar worden schrijvers dan niet steeds meer gezien als intellectuelen en voortdurend om een mening gevraagd? ,,Ik geloof dat er wereldwijd steeds meer pogingen gedaan worden schrijvers het zwijgen op te leggen – en dat geldt niet alleen voor mij. Het is makkelijk om naar de Arabische wereld te wijzen, of naar China, maar zelfs in de Verenigde Staten zijn er mensen die Harry Potter-boeken uit scholen willen weren, omdat er iets over hekserij in staat. Zelfs zoiets onschuldigs lokt een aanval uit. We leven in een tijd met een groeiende aandrang tot censuur. Allerlei belangengroepen – ook antiracisme of feministische bewegingen – vragen erom. Als Kurt Vonnegut uit openbare bibliotheken wordt geweerd en Huckleberry Finn niet overal onderwezen mag worden, dan kun je niet meer voetstoots aannemen dat er iets als vrijheid bestaat. Tegen stilte moet nu dus juist gevochten worden. En ballingschap werkt niet. List is dus het enige dat overblijft.''

James Joyce: Ulysses. Penguin, ƒ23,65