Jordan laat gitaar zingen

Anders dan zijn collega George Benson is gitarist Ronny Jordan er nooit geslaagd de populaire markt te veroveren. Toen hij bijna tien jaar geleden met een opgepepte versie van de Miles Davis-compositie `So What' in de Engelse Top-40 belandde, zag het er heel even naar uit, maar hij wist niet door te stoten.

Waaraan dat laatste is te wijten, is voor Jordan zelf geen vraag, zoals blijkt uit diverse interviews. Anders dan Benson ging hij er nooit toe over om er bij te zingen. En zonder dat word je niet beroemd. Ook weigerde hij hardnekkig zijn naam te verbinden aan een heersende trend. Zo vond hij de zogenaamde acid jazz uit de jaren tachtig wel leuk voor even, maar had hij geen zin zich te onderwerpen aan de daarbij passende kleding-conventies.

Ronny Jordan deed altijd wel mee, ook later met Jazzmatazz van rapper Guru, maar altijd onder een soort protest. Meedoen met de mode was eigenlijk dom, maar voor wat brood op de plank moet je iets overhebben.

Het resultaat waren nogal halfslachtige platen die voor de jazzfan te `poppy' waren en voor radio-dj's te abstract of te weinig familie-gericht. Wie mocht denken dat Jordan op Brighter Day, zijn eerste cd voor Blue Note, eindelijk duidelijk kleur zou bekennen, kwam vorig jaar bedrogen uit. Omdat dit label niet meer de jazz-independent van weleer is, maar een van de takken van het EMI-concern waar gewoon winst moet worden gemaakt. Jordan schikte zich, als altijd, onder het nodige voorbehoud.

In het goed gevulde Paradiso legde Ronny Jordan zonder veel ophef de twee zielen in zijn borst bloot, zo van `U wilt natuurlijk een paar liedjes horen, nou die krijgt u ook van mij.'

Met een zangeres als Krystin Cummings, die qua stem het midden houdt tussen Tina Turner en Janis Joplin, mag het publiek niet ontevreden zijn. Zij `screamt' niet onverdienstelijk een blues, `The Jackal' van Ronny Jordan zelf, en daartussenin – je kunt niet alles zelf bedenken – de 1.703de versie van Gershwins `Summertime'.

Dat is dan geregeld, hoor je Jordan denken, en hij schakelt met zijn standaardkwartet, toetsen, basgitaar en drums, soepel over op het gewone werk. Te weten jazz met een volkse toets; bluesy, funky, uiterst dansbaar.

Alsof hij het toch niet helemaal vertrouwt, vraagt hij na een half uur of het publiek niet liever `echt' wil dansen. Op het duidelijke antwoord – wat spreken die Hollanders toch goed Engels – werpt hij een dj in de strijd die zo zijn best doet dat ook het oog er iets aan heeft.

Als ook dat intermezzo achter de rug is, staat Ronny Jordan niets meer in de weg te bewijzen dat hij net als het zondagskind George Benson afstamt van ene Wes Montgomery, een jazzgitarist die in 1968 overleed. Dat de laatste nooit een groot publiek bereikte, was te wijten aan hetzelfde feit als waar Jordan zo mee kampt: dat hij alleen zijn Gibson liet zingen. Dus mag de in 1962 in Londen geboren Jordan in het geheel niet klagen als in de verplichte toegift `So What' vrijwel de hele zaal het riedeltje meezingt dat hij toevoegde aan dit stuk. En dat alleen met zijn gitaar.

Concert: Het Ronny Jordan kwartet plus gasten. Gehoord: 15/3 Paradiso, Amsterdam.