In onze verkeerde waereld

In Parijs veroorzaakte `La Sylphide' in 1832 een revolutie. Nederland gaf zich minder snel gewonnen. Vanaf volgende week zondag brengt Het Nationale Ballet `La Sylphide'.

Breek je hals! wordt er vanaf het hoogste balkon geroepen en tegelijk giert`een aantal onverdoofbare fluitscheuten tegen het plafond' van de Amsterdamsche Stads-Schouwburg. Het is zaterdagavond 7 januari 1843.

Arme Caroline Rousset. Wat een onthaal als je de eerste Amsterdamse opvoering danst van het enige ballet dat er werkelijk toe doet. Van hèt ballet, van La Sylphide, waarmee Marie Taglioni, de grootste levende ballerina, in 1832 het Parijse publiek aan haar voeten heeft gekregen. En niet alleen dat van Parijs, maar van alle wereldsteden waar ze optreedt. La Sylphide ontketent een omwenteling in de geschiedenis van de theaterdans. Omdat Marie, dochter van de Italiaanse balletmeester Filippo Taglioni en de Zweedse harpiste Sophie Karsten, de nieuwerwetse pointetechniek, het dansen op de teenpunten, heeft verheven van kunstje tot kunst.

Als Sylphide, zwevend over het toneel, in haar witte tutu en vleugeltjes wordt zij het zinnebeeld van de Romantiek. Modieuze Parisiennes dragen hun haar van dan af à la Sylphide, wit is de modekleur, tule en tarlatan zijn niet aan te slepen, Victor Hugo draagt A vos pieds, à vos ailes aan haar op en een kweker vernoemt een dubbele witte pioenroos naar haar.

,,Taglioni is een van de grootste dichters van ons tijdperk'', schrijft de Franse letterkundige Théophile Gautier, ,,van eenzelfde kaliber als Lord Byron en Lamartine.'' Gautier behoort dan ook tot de geoefende ballettomanen, die polemiseren over elkaars idolen: Fanny Cerrito, Fanny Elssler, Lucille Grahn, Carlotta Grisi, en Taglioni.

Nederland kent in die jaren nauwelijks deskundige aandacht voor de theaterdans; er is ons op schrift tenminste weinig overgeleverd en de Romantiek gaat bovendien grotendeels aan ons land voorbij. Alleen bij het Amsterdamse balletgezelschap, waar `ballet-pantomimes' steevast dienen als sluitstukken van de toneelvoorstellingen, is men op de hoogte van de ontwikkelingen op de internationale podia. Vandaar dat opeenvolgende balletleiders, als ze zèlf al niet uit het buitenland afkomstig zijn, producties en solisten van over de grenzen betrekken. Soms voor eventjes, soms voor een paar seizoenen, zoals de Française Caroline Rousset.

Daar staat zij dan, op zaterdag 7 januari 1843, in de gloednieuwe productie van haar vader, Jean Rousset: Eerste Danser aan de Schouwburg op het Leidsche Plein. Hij begeleidt haar in de rol van James Reuben, de Schotse boerenzoon die zich aan de vooravond van zijn bruiloft met Effie laat verlokken door de luchtnimf, ,,de geheimzinnige verschijning, die zoo dikwerf zijnen slaap kwam veraangenamen'', zoals de brochure met het libretto vertelt.

Het is `nommer 86' van het Abonnement van de Schouwburg. Eerst Molières blijspel De Huichelaar, met Anton Peters in de hoofdrol, daarna `De Sylphide, Nieuw Groot Ballet-Pantomime in twee bedrijven [-] versierd met nieuwe Decoratiën en Machines vervaardigd door en onder opzigt van den Heer J.E. de Vries; benevens nieuwe Costumes. Om de uitgebreidheid dezer Voorstelling: de Aanvang ten Zes Ure precies', melden de kranten de week voorafgaand aan de première.

In onbruik

Een lange zit. Alsof Het Nationale Ballet zijn première van La Sylphide zou brengen ná een uitvoering door de Nederlandse Opera van Jevgeni Onegin - met als voordeel dat het orkest in de bak kon blijven zitten. Het Nederlands Balletorkest speelt straks niet de in onbruik geraakte compositie van de dirigent bij de Parijse Opéra Jean-Madeleine Schneitzhoeffer, waar Filippo Taglioni de choreografie voor zijn dochter op maakte. De productie is gebaseerd op de Sylphide-versie uit 1836 van Auguste Bournonville en daar hoort de beroemde muziek van Herman L⊘venskjold bij.

Op welke muziek Caroline en haar vader dansten staat nergens. Dat was wèl het geval bij de allereerste keer dat La Sylphide in Nederland te zien is geweest. Het Dagblad van 's-Gravenhage meldt `la première représentation de La Sylphide' in het Théatre Royal de la Haye op 28 december 1836, slechts viereneenhalf jaar na Taglioni's wereldpremière. `Composé par M. Taglioni, musique de M. Schneithoeffer, mise-en-scène de M. Appiani; orné de décorations entièrement nouvelles, peintes par M.H. van Hove (de beroemde decorateur van de Koninklijke Schouwburg), fils, machines, vols aériens et costumes nouveaux'. Kortom, een grand spectacle, met kunst en vliegwerk, zoals men graag zag. Meer lijkt er niet te zijn overgeleverd; behalve dat de voorstelling buiten het abonnement viel en men voor 25 cent het tweetalig tekstboekje kon aanschaffen bij boekhandel De Groot.

Luchtnimf

De Amsterdamse Sylphide bleef gelukkig beter bewaard. Al valt natuurlijk niet precies na te gaan wat er die avond gebeurde, feit is dat de criticus van De Spectator een andere invalshoek heeft dan de verslaggevers van het Algemeen Handelsblad en de Amsterdamsche Courant. De kranten zijn enthousiast. Het Handelsblad roemt ,,den Hr. Rousset als eenen man van smaak en kunde [-] Hij zelf vervulde de rol van James zeer goed, terwijl Mw. C. Rousset als een luchtnimf door hare luchtige en bevallige gedaante, door hare zwevende bewegingen en aanvallige mimiek algemeen genoegen gaf, en met toejuichingen beloond werd. Al de overige rollen waren goed bezet, en de decoratien en costumes, zoo alsmede ingelaschte dansen en muzijk lieten niets te wenschen over; zoodat men teregt eene reeks van druk bezochte voorstellingen van dit nieuwe en belangwekkende werk verwachten mag.''

De Courant sluit zich hierbij aan, maar wenst `eenige' bekortingen en wil weten waarom de brochure wel en de voorstelling niet toont, dat James' verloofde Effie op het eind met Gurn huwt.

Het tijdschrift De Spectator, onder leiding van Pauwels Foreestier (pseudoniem voor Joseph Alberdingk Thijm, de vader van Lodewijk van Deyssel) heeft het niet op met de danskunst. Na een uitvoerige behandeling van De Huichelaar volgt een alinea over het niet met name genoemde ballet: ,,hoe genotvol het voor de jongelui van de bovenste galerijen (die den toon geven) moog zijn, zich alle denkbare vrouwelijke bekoorlijkheden, zonder eenige te rug houding, voorgedischt te zien - op den duur walgt dat schouwspel, en daarom riep het volk, toen er geen eind aan het zwieren, en zweven, en ledebuigen kwam, toen de danseres in de armen van den danser nooit ver genoeg achterover helde, nooit hoog genoeg de teen in de lucht stak, nooit fel genoeg den minnaar tot mededans noopte, toen, riep het volk, in zijne oprechte en krachtige kritiek, `breek je hals!' een hyperbolische uitdrukking van zijn wensch, om het éen of ander beletsel een eind aan den dans te zien maken; en te gelijk gierden er een aantal overdoofbare fluitscheuten langs het plafond.''

Wat afleveringen daarna hoopt het tijdschrift, dat een positief besproken toneelstuk publiek zal trekken ,,al ware 't alleen om de Directie te bewijzen, dat zij geen ontuchtige Sylphides, godlooze Kruisvaarders, of redelooze Honden noodig heeft om een vollen Schouwburg te zien''.

Ontuchtige Sylphides. Ballet wordt van oudsher in Nederland beschouwd als strijdig met de zeden. In pamfletten van steile dominees is er al sinds eind zestiende eeuw tegen gefulmineerd. Overstromingen en andere natuurrampen, epidemieën onder het vee, verzengende branden, het wordt alles beschouwd als de gesel Gods voor zedeloze praktijken zoals `vuige dansserijen'.

Vijf jaar later, in het revolutiejaar 1848, spuwt De Spektator (inmiddels met een k geschreven en ontdaan van Alberdingk Thijm): ,,Diep is het Nationaal Tooneel gezonken'' wanneer een advertentie een nieuw Ballet-Pantomime aankondigt en slechts ,,met kleine lettertjens'' het toneelstuk vermeldt. ,,Zo leest men, in onze verkeerde waereld, nog eerlang: De Heeren Keijser, Boissevain, Moulin, en van Bevervoorde zaten boven aan den disch. Onder aan zag men, onder anderen, ook den Koning.''

De dans trekt zich er niets van aan. De kranten, die bol staan van het oproer in de landen om ons heen en het gevaar van het opkomend socialisme (,,Ja, het zal eenen fraaije organisatie van arbeid zijn, waar de luijen evenveel loon zullen krijgen als de nijveren en de arbeidzamen''), verslaan toch de laatste reeks voorstellingen van het seizoen.

De Courant ziet met lede ogen ,,dat de Amsterdamsche beau-monde, helaas, den dans boven de comedie stelt'', maar bericht niettemin van de ,,herhaaldelijk daverende toejuichingen'' die gastsolisten Adèle Polin en Theodor Casperini voor hun pas de couronne verwierven.

Opnieuw heeft een Française het toneel van de Schouwburg betreden. Het Handelsblad plaatst maandag 5 juni de recensie van de slotopvoering. Het is La Sylphide `gemonteerd door den Balletmeester A.P. Voitus van Hamme'. ,,Keurig en fiks uitgevoerd, verschafte dit fraaije ballet, waarbij men den volijverigen directeur, den Heer de Vries, als decorateur, den regtmatigen lof niet mag onthouden, waarlijk genoegen. De hoofdrollen van dit ballet werden uitgevoerd door Mw. Adèle Polin en den Heer Theodor Casperini, eerstgenoemde bragt, door haar betooverend en bewonderenswaardig talent, het publiek in eene door ons zelden zoo opgemerkte geestdrift. Herhaaldelijk teruggeroepen, wierp men haar bloemenkransen en bouquetten toe; inderdaad eenen beloning waarop zij de volste aanspraak had.''

Bokkensprongen

De Spektator maakt zich vrolijk, nu eens niet om choreograaf Van Hamme, die voorheen smalend `balletoplapper' werd genoemd, maar omdat de danskunst ,,op nieuw beentjen heeft gedraaid op dat de Amsterdammers de fraaije bokkensprongen van Mlle AdeLLe Polin (die dubbele L geeft een machtig kieschen klank aan den welluidende voornaam der danseres, redakteur van 't affiche!) en Monsr. Theod. Casperini nog eens zouden kunnen bewonderen''.

Maar het tij keert.

Na de zomer, terwijl de cholera in Amsterdam vele slachtoffers eist, moet men ,,in den Stadsschouwburg dagen vooraf plaatsen bespreken, om de voorstellingen zittende te kunnen bijwonen''. Daags voor Adèle Polin's Sylphide worden maatregelen tegen de epidemie verkondigd. Artsen gaan met draagbare medicijndoosjes op pad, zodat er geen recepten uitgeschreven en gehaald hoeven worden. Men hoede zich voor koude en nat weer. Neme spaarzaam groenten, komkommers, salade, fruit en erwten. Adèle danst. Haar bevallige Sylphide en ook de andere rollen `van die voortreffelijke kunstenaresse' geven opnieuw `buitengewoon genoegen'. Tot eind november, als zij annonces laat plaatsen: ,,Gevoelig voor het gunstig onthaal alhier genoten, hetwelk haar eene aangename herinnering zal verschaffen, neemt de Ondergetekende met leedwezen en dankbetuigingen afscheid van het geeerde publiek, in de hoop de omstandigheden een spoedig terugkomen zullen veroorloven.''

Behendig kondigt de Schouwburgdirectie een extra afscheidsvoorstelling aan op 27 november.

De Spektator is òm: ,,Ten slotte gedenken wij de talentvolle danseres Adèle Polin; zij gaf ons het charakter der danskunst in zijn verhevendste uitingen; zij drukte gevoelens en hartstochten in de schoonste vormen uit. Hoe gaarne vergeet men den Hollandschen tooneelspeler, zoo men deze kunstenaresse bewonderd.''

Adèle Polin keerde waarschijnlijk niet terug in Nederland. In vergelijking met de invloedrijke Marie Taglioni is over haar weinig bekend. Ze zal goed zijn geweest, net als Caroline Rousset en haar zusters, die triomfen beleefden in Amerika. Er waren in het bekrompen Nederland geen spectatoren die met kennis van zaken – en passie – over theaterdans konden schrijven. Maar dan nog. Was het niet Marie Taglioni zelf, die op hoge leeftijd bij het zien van een balletvoorstelling verzuchtte: Ach, zo konden wij niet dansen, destijds.

Het Nationale Ballet: `La Sylphide' 18/3 tot 8/4. Het Muziektheater, Amsterdam. Daarna tournee. Inl. tel. (020)5518225