Hoogmoed komt na de val

In HP/De Tijd verscheen zomer vorig jaar een vraaggesprekje met Hans Mentink, de advocaat van Bram Peper. Enkele maanden eerder was Peper afgetreden als minister van Binnenlandse Zaken. Hij wilde vechten tegen de beschuldiging van incorrecte declaraties; als minister van de kroon kon hij dat niet. Nadien bleef het niettemin stil en HP/De Tijd vroeg Mentink waar het aangezegde gevecht bleef. Heb geduld, antwoordde de advocaat. Er waren tuchtklachten tegen kranten en accountants in voorbereiding, en enkele journalisten waren bezig `voor ons' – het Peper-kamp – de werkelijkheid achter zijn onterechte val op tafel te krijgen.

De auteurs van Afrekenen met Peper, de Parool-journalisten Soetenhorst en Zonneveld, behoorden tot de verslaggevers waarop Mentink doelde. Zij zijn zo sportief het in hun boek te melden, al waren ze allerminst gelukkig met de classificatie van de advocaat. De auteurs streven geen rehabilitatie van Peper na, schrijven ze, zij hebben slechts de feiten en omstandigheden onderzocht die het einde van Pepers ministerschap bepaalden.

Inderdaad geven zij een reële schets van de voorgeschiedenis. Na zestien jaar burgemeesterschap liet Bram Peper een ruime schare gekwetste ego's in Rotterdam achter. Wie ongehoorzaam was, of wees op 's mans fouten, verdween op een zijspoor. Onderwijl was er een reeks affaires (een mislukt stadsfeest, een interview met Ischa Meijer, een generaal als politiechef die na anderhalf jaar al ongeschikt bleek) die Pepers beperkingen accentueerde. Achter de denker en netwerker school een grillige figuur, charmant en verlegen, altijd op zoek naar de roes van een grootse daad of gedachte, maar nooit in staat de loyaliteit van collega's en personeel te winnen. Alleen een repressief bewind hield hem op de been. De revanche kwam met het onderzoek naar zijn declaraties, toen hij al minister was.

Uit de bocht

In de kern van het boek wordt ontrafeld hoe vele betrokkenen – vooral de forensische KPMG-accountants en de journalistiek – uit de bocht vlogen toen dat onderzoek eenmaal gaande was. De Parool-journalisten willen niet voor scherprechter spelen en hebben deskundigen, zoals accountant Veenstra en crisisprofessor Rosenthal, een opstel laten maken. Veenstra stelt dat de KPMG-accountants een te ruime opdracht aanvaardden, waardoor ze over honderden details rapporteerden die geen antwoord gaven op de hoofdvraag: de integriteit van Peper. Rosenthal verwijt de media kluitjesvoetbal. Verslaggevers renden achter elkaar aan en creëerden een explosieve situatie terwijl er, achteraf, nauwelijks een affaire was.

Het zijn terzijdes die het sepot door het openbaar ministerie (OM) als uitgangspunt hebben. Omdat Peper niet voor de rechtbank is gedaagd, luidt de implicatie, treft hem geen blaam. Het is een redenering. In die lijn zou Amsterdam de laatste jaren nauwelijks corruptieaffaires hebben gehad, wat Parool-redacteur Jos Verlaan ook heeft geschreven: bijna al die zaken zijn immers geseponeerd.

De auteurs nemen het oordeel en de toon van de deskundigen over als ze aan het slot van hun boek leerstellingen formuleren. Met een bericht uit oktober 1999 van het Algemeen Dagblad als uitgangspunt concluderen ze dat van de beschuldigingen tegen Peper bitter weinig is overgebleven. Daarna volgt, in een bijlage, het klapstuk. Zij leggen de bevindingen van het OM naast die van KPMG. Dan komt naar voren dat KPMG volgens het OM belangrijke elementen over het hoofd heeft gezien, en dat volgens het OM geen sprake was van een bewuste zelfverrijking – maar ging het daar dan om in de zaak-Peper?

Ieder mag zijn uitgangspunt nemen. Maar formeel (noch feitelijk) lag het initiatief in de zaak-Peper bij het OM, en evenmin bij de media. De raad van Rotterdam initieerde het onderzoek; pas daarna gingen het Rotterdams Dagblad en het Algemeen Dagblad met de zaak op de loop. En de Rotterdamse raad zocht niet naar fraude of verrijking, die wilde de bestuurlijke integriteit van Peper doorschouwen. Daar lagen vast valse motieven aan ten grondslag. Maar dat doet niets af aan het recht van die raad zo'n onderzoek te entameren, al dan niet met hulp van KPMG.

Terugbetalen

En gelegd naast eerder door Binnenlandse Zaken gehanteerde maatstaven inzake integriteit – Peper leidde dat ministerie – hadden kabinet en Kamer alleen met spectaculaire elasticiteit kunnen betogen dat de man zijn zetel mocht behouden. Dat geldt ook als men het onderzoek van het OM als uitgangspunt neemt. De 7.500 gulden die Peper terugstortte is bijna het dubbele van het bedrag dat een Zeeuwse burgemeester in 1992 retourneerde, waarop Pepers voorganger Ien Dales zei: terugbetalen is schuld bekennen, ik ontsla je. (In die tijd zeiden ze in de PvdA-fractie: eindelijk een minister die optreedt tegen het bestuurlijk verval. Ad Melkert, die na het sepot in de zaak-Peper sprak van eerherstel, zat in die fractie.)

Bram Peper heeft, toen eenmaal tot het onderzoek was besloten, zijn verweer altijd gebouwd op bijzaken. Hij traineerde het onderzoek, speelde mediaspelletjes, en kwam afspraken met de raadscommissie niet na. Intussen hamerde hij erop dat de KPMG-accountants ondeskundig waren, en nog onbeschoft ook. Dat journalisten hem onwaarachtig attaqueerden. Dat die Rotterdamse raadscommissie bestond uit middelmatige types met wraak als geheime agenda. Nu deze elementen in dit boek ook het leeuwendeel van de aandacht opeisen, dringt de conclusie zich vanzelf op: de auteurs hebben, ondanks hun schroom bij de classificatie van Mentink, hun oren te zeer naar het Peper-kamp laten hangen.

`Ik ben een openbaar lichaam', zegt Peper in het boek. Toen hem destijds door de raadscommissie werd gevraagd naar bepaalde declaraties, antwoordde Peper: gaat u niets aan, dit behelst mijn `beleidsdiscretie'. Het openbaar lichaam is dus laat tot leven gekomen. Maar het klinkt goed, nu het er niet meer toe doet.

Bas Soetenhorst en Michiel Zonneveld: Afrekenen met Peper. Van Gennep, 260 blz. ƒ34,90