Het `donkere continent' moet de letteren ontdooien

Parijs heeft een lange staat van dienst als artistiek toevluchtsoord, maar ook daar staat de allochtone schrijver steeds meer in de schijnwerpers. Sommige Franse uitgevers proberen complete continenten literair te confisqueren. Maar hoe nieuw is dat `nieuwe' bloed, vraagt het Collège de France zich af.

`Nergens ben je meer vreemdeling dan in Frankrijk. En toch ben je het nergens beter', schrijft psychoanalytica en schrijfster Julia Kristeva in haar essay Y a-t-il des étrangers heureux? (Bestaan er gelukkige vreemdelingen?), dat onlangs verscheen in de bundel Migrations et errances. In Frankrijk zul je niet de protestantse, angelsaksische tolerantie vinden of de ongezonde, assimilerende nieuwsgierigheid van de Duitstalige of Slavische landen, aldus Kristeva: de vreemdeling in Frankrijk krijgt te maken met een hecht sociaal weefsel en een onverslaanbare, nationale trots.

Dat heeft ook zijn voordelen, vindt de psychoanalytica. Omdat je als vreemdeling in Frankrijk nu eenmaal altijd afwijkend en onacceptabel wordt gevonden, ben je een fascinerend geval. Je wordt opgemerkt, men haat je of men bewondert je: je laat niemand onverschillig. Aan die uitzonderingspositie zijn niet alleen risico's verbonden, zo heeft Kristeva ervaren, maar die leidt ook tot een `vreemd soort geluk': schuilt in de ontworteling van de moderne nomade, in die onbevredigde, onrustige zoeker die voortdurend op reis is, niet het meest universele aspect van de mens?

Kristeva verruilde in 1965 haar geboorteland Bulgarije voor Parijs, waar ze een universitaire carrière begon en ook naam maakte als romanschrijfster. Ze schaarde zich daarmee in een lange reeks schrijvers die, vanuit de hele wereld, Parijs als hun ballingsoord kozen en er literaire erkenning zochten. Uitgevers, vertalers, critici, een wereldtaal, literaire tijdschriften, literatuurliefhebbers – Parijs heeft een literair kapitaal waar iedere, van zijn capaciteiten overtuigde schrijver uit literair gezien excentrische werelddelen op af komt. Kijk naar Danilo Kiš (voormalig Joegoslavië), Octavio Paz (Mexico), Adam Mickiewicz (Polen), Machado de Assis (Brazilië), Cioran (Roemenië), Samuel Beckett (Ierland), maar ook voor de meest recente Nobelprijswinnaar, de in China geboren Gao Xingjian.

Hoewel de Franse literatuur een lange traditie heeft als het gaat om invloeden van migratie – denk alleen al aan de vele auteurs uit de Magreblanden – staan de afgelopen jaren, ook in Frankrijk, allochtone Franstalige auteurs vaker in de literaire schijnwerpers. Yasmina Khadra, een verondersteld vrouwelijke auteur van thrillers en romans over Algerije, werd kort geleden `ontmaskerd' als een hoge Algerijnse militair; een onthulling die door de media breed werd uitgemeten. De hype van dit voorjaar is Ali le Magnifique, de forse, vierde roman van Paul Smaïl, wiens boeken zich in Marokko afspelen, maar die nog steeds zijn (Franse? Marokkaanse?) anonimiteit heeft weten te bewaren.

Ook de terminologie waarmee dit soort auteurs wordt aangeduid is veranderd: sprak men traditioneel van francophonie, als overkoepelende term voor de Franstaligheid van het voormalige Franse koloniale rijk, tegenwoordig heeft men het liever over métissage (kruising, vermenging), een woord dat het element van wederkerigheid juist benadrukt.

Deze `écritures métissées' werden in een recent nummer van het Magazine littéraire gezien als een van de huidige literaire avant-gardes. Ook het tijdschrift Lire roemde onlangs – in een omslagartikel dat associaties oproept met het in 1993 in het Amerikaanse weekblad Time verschenen fameuze artikel The empire strikes back – het `nieuwe bloed van elders', dat `een licht uitgeputte Franse roman' komt vernieuwen.

Parels

Daarbij denkt hoofdredacteur Pierre Assouline vooral aan Antillianen, Arabieren, Aziaten of Afrikanen die misschien geen duidelijke relaties onderhouden met Frankrijk, maar die met elkaar gemeen hebben dat ze in het Frans schrijven. Hij beschouwt ze eenvoudig als `de redding' van de roman die men `astmatisch en anorectisch' heeft laten worden.

Assouline maakt een vergelijking met succesvolle Engelse auteurs uit het Britse koninkrijk: Salman Rushdie, Hanif Kureishi, Vikram Seth, Ben Okri en Arundhati Roy – de `resten uit het imperium' die tegenwoordig gelden als de `ware parels in de kroon'. `Wat hebben wij met onze parels gedaan?', schrijft hij pathetisch. Toch past Assouline er wel voor op onderling mijlenver van elkaar af staande schrijvers op één hoop te vegen, zoals in Time gebeurde.

De romanschrijvers die volgens Assouline dat `nieuwe bloed' vertegenwoordigen zijn bijvoorbeeld de Ivoriaan Ahmahdou Kourouma, de Algerijn Boualem Sansal en Roland Brival uit Martinique. De kracht van hun werk schuilt niet in het exotische of het pittoreske, meent Assouline. Hun verve, hun gevoel voor het tragische en hun soms spottende toon hebben te maken met hun imaginaire `métisse' (hun verbeelding die uit hun gemengde achtergrond voorkomt) en uit hun vermogen de Franse taal op een vrije manier te gebruiken. Is het ware vaderland van een schrijver niet zijn taal? Dat maakt ze allemaal Frans, betoogt Assouline, wat voor nationaliteit ze ook hebben: `Jammer dan als chagrijnige personen er de nieuwe kleren van het kolonialisme in menen te herkennen.'

Wie in schrijvers als de van oorsprong Marokkaanse auteur Tahar Ben Jelloun, de Algerijnse Assia Djebar of de in Rusland geboren Andrej Makine de verpersoonlijking meent te zien van de nieuwe kleren van het kolonialisme, lijdt inderdaad aan zinsbegoocheling. Niet-Franse Franstalige auteurs hebben de afgelopen jaren weliswaar af en toe grote literaire prijzen gekregen (Patrick Chamoiseau, Calixthe Beyala, Ahmadou Kourouma, Andrej Makine), maar dat ging niet gepaard met een jubelstemming over de kwaliteit van nieuwe generaties postkoloniale auteurs.

Annexatie

Ook is hun aantal veel te gering om te spreken van een bewuste literaire annexatie of van plaatsing in een Franse literaire traditie. Franse jury's lijken een voorkeur te hebben voor schrijvers wier hoofdpersonen een bijzondere, persoonlijke relatie opbouwen met de Franse taal, maar of er dat nu één is van bewondering of strijd lijkt er weinig toe te doen. Dat lijkt er veeleer op te duiden dat dit soort schrijvers daadwerkelijk is toegetreden tot wat Edward Said (in Culture, identity and history) definieerde als de mainstream van de Europese cultuur.

Inmiddels heeft iedere zichzelf respecterende Franse uitgever wel een aantal jonge allochtone auteurs in zijn fonds: Calmann-Lévy heeft Anouar Benmalek (Marokko), Le Seuil heeft Azouz Begag (Marokko), Julliard Fouad Laroui (Marokko) en Leïla Marouane (Algerije), Lattès Y.B. (Algerije) en Gallimard heeft Boualem Sansal. Die laatste uitgeverij lanceerde zelfs een nieuwe reeks, met de titel Continents noirs, waarin louter uit sub-Sahara Afrika afkomstige literatuur verschijnt. Dat lijkt verdacht veel op wat Paul Scheffer eerder op de opiniepagina van deze krant, met betrekking tot de term `wereldliteratuur', `een gemakkelijke nis' noemde `waarin schrijvende migranten worden weggezet'.

Wat bezielde de prestigieuze uitgeverij om Zwarte Continenten op een apart plankje te willen onderbrengen? De hele twintigste-eeuwse beeldende kunst heeft, dankzij de Afrikaanse beeldhouwkunst, een metamorfose ondergaan en de literatuur staat hetzelfde te wachten, legt Jean-Noël Schifano, de verantwoordelijke voor de reeks, uit in een korte verantwoording. Op het Afrikaanse continent doet zich een omslag voor van een orale naar een geschreven traditie, waarbij de auteurs `vol vrijheid en rebelse gratie, vol verbeeldingskracht en magisch spel met metaforen en metamorfosen' een `talige, syntactische vloeibaarheid' aan de dag leggen die in Frankrijk en, meer in het algemeen, in Europa, sinds de zeventiende eeuw verloren is gegaan. `Wij zetten in op het schrijven van de zwarte continenten: zij zullen de esprit romanesque en de Franse taal van de nieuwe eeuw ontdooien', schrijft Schifano. De redding van de roman en van de Franse taal liggen, volgens hem, in Afrikaanse literaire handen – een curieus eenzijdig standpunt, als je bedenkt dat ook de rest van de Franstalige wereld regelmatig goede schrijvers aflevert. (Kwam Henri Michaux niet uit België en Anne Hébert uit Québec?)

Opvallend genoeg was het niet zijn uitgangspunt, maar zijn auteurskeuze die in Frankrijk bekritiseerd werd. Sommige auteurs hadden al eerder werk bij andere uitgeverijen gepubliceerd, anderen werden als saai en niet vernieuwend afgedaan. Toch zijn de teksten uit de reeks zonder uitzondering bijzonder en in zekere zin ongrijpbaar, al was het maar vanwege de volledig andere historische, culturele, politieke en vooral literaire context.

Hoe valt bijvoorbeeld Lagon, lagunes te doorgronden, een `tableau de mémoire' tussen roman en poëzie in, geschreven door Sylvie Kandé, van Frans-Senegalese afkomst en Frans docerend aan de New York University? Haar boek is een pittig strijdtoneel van korte teksten, in een bijzondere, springerige, soms diagonale opmaak, waarbij iedere tekst door een symbool wordt voorafgegaan: maan? zon? vrouw? dier? – je weet het niet en het wordt ook niet uitgelegd. Van een verhaallijn is nauwelijks sprake: nu weer laat Kandé een Parijse straatveger aan het woord, dan weer vallen we in een toneeltekst waarin Sun-Diata, de keizer van Mali, een onderdaan tot exil veroordeelt. Op iedere bladzijde staan daarnaast zinnen tussen vierkante haken, die verwijzen naar een imposante lijst van literaire referenties achterin het boek. Je zou er een knipoog in kunnen zien naar de plagiaat-affaire rond de eveneens Frans-Senegalese schrijfster Marie Ndiaye, aan wie Sylvie Kandé haar boek opdroeg.

Pubers

Ook de in Djibouti geboren, in Normandië Engels docerende schrijver Abdourahman A. Waberi bespeelt moeilijk te benoemen registers. Zijn `variations romanesques' bestrijken een kindertijd `van voor de aids, voor Mengistu en Rwanda', vol bijgeloof en legendes. De pubers in zijn boek groeien op met Otis Redding, Nat King Cole en de strijd tussen Pepsi en Coca-Cola. Ze dromen van een reis over de Nijl: `Het droomboek begint met het hoofdstuk: ver van thuis'. Migranten, nomaden en toeristen zijn terugkerende personages bij Waberi. Zijn korte, met vergelijkingen doorspekte impressies, zijn beurtelings cynisch of bitter onstuimig en hebben nog het meeste weg van een vorm van stilistisch overkoken.

Een meer traditionele vertelvorm volgt de in Gabon geboren, aan de universiteit van Libreville (Gabon) verbonden Justine Mintsa, in haar roman Histoire d'Awu. Het is een eenvoudig, rechttoe-rechtaan verteld verhaal met een emancipatoire boodschap, over de tweede vrouw van schoolmeester Obame Afane, de intellectueel van het dorp die er maar niet in slaagt zijn staatspensioen te innen en daardoor zijn prestige dreigt te verliezen. Zijn vrouw, Awudabiran, slaagt erin voor hen tweeën de kost te verdienen – een geheim dat hen, als het in het dorp bekend zou worden, met eeuwige schande zou overladen.

Ongrijpbaar, ondefinieerbaar, overdonderend en intrigerend – dat zijn de boeken uit de Continents noirs-serie zeker. De West-Europese lezer van Salman Rushdie's Woede die niet voor honderd procent is ingevoerd in virtuele werelden, Hollywood en Galileï, ontgaat al het nodige; en meer nog ontgaat diezelfde lezer in het werk van Kandé, Waberi of Mintsa. Het woordgebruik is ons al vreemd: veel kan zelfs in de vuistdikke Petit Robert niet worden teruggevonden.

De kleur en geur van de taal roepen bij ons per definitie andere associaties op. De beelden van Kandé, de geschiedenis van Djibouti, de persoonlijke ervaringen van Mintsa, hun landschap, hun context zijn voor ons nauwelijks `leesbaar', om de term te gebruiken die de Frans-Marokkaans-Nederlandse schrijver Fouad Laroui bezigde in zijn onlangs verschenen en in het Nederlands geschreven essay Vreemdeling: aangenaam. Het zijn woorden als `weeskinderen, die als blaadjes van een onbekende boom afvallen'. Ze geven je als lezer het gevoel dat je een buitenstaander bent, een vreemdeling die tastend zijn weg moet zoeken in een literair doolhof, dat weliswaar onweerstaanbaar aantrekkelijk is, maar waar geen draad van Ariadne voorhanden is.

Pluraliteit

Schuilt daarin niet het wezen van literatuur? Is dat niet juist haar aantrekkingskracht – al eeuwenlang? In een bundel van het prestigieuze Institut d'études littéraires van het Collège de France, over het bestaan van een specifiek Europese literaire identiteit, betoogt de Zwitser Karlheinz Stierle dat de roman begon met de twaalfde-eeuwse auteur Chrétien de Troyes. Zijn verbeelding van Koning Arthur overschreed niet alleen moeiteloos de Italiaanse, Spaanse, Duitse en Engelse grenzen, maar doorbrak tegelijkertijd de grens tussen realisme en het fantastische.

Die ridder, meent Stierle, overschreed de grenzen en waagde zich buiten de hem bekende wereld. De lezer imiteerde het gebaar van de held en verplaatste zich aan diens zijde, in diens verbeelding. De roman van Chrétien de Troyes ging uit van de pluraliteit van culturele werelden, meent Stierle, van een meerduidig en meerstemmig wereldbeeld. Dat maakt de roman vanaf het begin tot een multicultureel, grensoverschrijdend project – met de lezer in zijn kielzog.

Als er één ding duidelijk wordt uit de bundel van het Collège de France is het wel dat de Franse literatuur zich al eeuwen voedt met `nieuw bloed' van elders. Zoals een culturele identiteit mede wordt gevormd door een vermenging van persoonlijke ervaring, individuele herinnering, karakter en meer of mindere inbedding in een traditie, zo komt literatuur tot stand door een eindeloze, vrije vermenging van niet aan grenzen gebonden verhalen uit heden en verleden – èn een dosis schrijftalent. Het slaan van piketpaaltjes rond het Afrikaanse continent, zoals in de nieuwe reeks van uitgeverij Gallimard, lijkt daarmee bij voorbaat zinloos en onzinnig. Er is nog nooit een schrijver van betekenis geweest die zich daar iets aan gelegen heeft laten liggen. Om van een zichzelf respecterende lezer maar niet te spreken.

Sylvie Kandé: Lagon, lagunes. Gallimard, 76 blz. ƒ30,55 Justine Mintsa: Histoire d'Awu. Gallimard, 110 blz. ƒ37,15 Abdourahman A. Waberi: Rift routes rails. Gallimard, 86 blz. ƒ34,30 Institut d'études littéraires du Collège de France: Identité littéraire de l'Europe, sous la direction de Marc Fumaroli. PUF, 221 blz. ƒ63,- Académie universelle des cultures: Migrations et errances. Grasset, 347 blz. ƒ59,40