Heere, Here, HEER

Toen ruim twee jaar geleden de oudtestamentische bijbelboeken Ester, Prediker, Jona en Judit en het nieuwtestamentische boek Handelingen in een nieuwe vertaling verschenen, stak er een storm van protest op. Vooral over de vertaling van `de Godsnaam' stuitte het vertaalproject van het (protestantse) Nederlandse Bijbelgenootschap (NBG) en de Katholieke Bijbelstichting (KBS) op veel weerstand.

Met de godsnaam wordt in theologenkringen de specifieke naam bedoeld waarmee in de Hebreeuwse bijbel naar God wordt verwezen. Het is een naam waarvan de uitspraak onbekend is, een naam waarvan alleen de medeklinkers J-H-W-H zijn overgeleverd. Deze vier letters staan bekend als het `tetragrammaton'.

Het is een naam in medeklinkers die onuitspreekbaar is, hetzij omdat men er zich de tong over breekt, hetzij omdat de aanduiding van `de Eeuwige' zo heilig is dat de naam niet mag worden uitgesproken.

Om in de kerkelijke voorleespraktijk toch niet helemaal met de mond vol tanden te staan, wordt al eeuwenlang het joodse woord `adonai' of het Griekse `kurios' gebruikt, wat zoveel betekent als `Heer'.

Dat was voor theologen en bijbelvertalers een betrekkelijk gemakkelijke oplossing van het probleem zolang er geen feministische bijbelkritiek bestond. Maar om God per se als man voor te stellen en de verplichting om God nog altijd `Heer' te noemen, werd in de ogen van feministische theologen een soort doodzonde. Want als God mannelijk is, dan wanen mannen zich als goddelijk, meende Mary Daly, een van de strijdbare Amerikaanse vrouwen-theologen in haar boek `Voorbij God de Vader' (1973).

In Daly's voetspoor staken vrouwelijke theologen en taalkundigen hun kritiek op God als `HEER' niet onder stoelen of banken en werd gevraagd om een herziening van dit vertaalbesluit of op zijn minst om heropening van de discussie, met als doel dat de Godsnaam wat `sekseneutraler', wat `ongeslachtelijker' zou worden.

Bij het Bijbelgenootschap kwamen in 1999 zeker 700 protestbrieven binnen. Ook werd een demonstratie of in het uiterste geval zelfs een bezetting van het kantoor in Haarlem overwogen. De vertalers, theologen en bestuurders van het NBG en de KBS bleven echter op het standpunt staan dat er ondanks meer dan honderd ingebrachte varianten geen breed gedragen alternatief is en dat voor de vaderlandse godsdienstige traditie iets anders dan `HEER', `Here' of `Heere' onverdraaglijk is. Eenvoudigweg omdat God traditioneel nu eenmaal van eeuwigheid tot eeuwigheid niet als vrouwelijk of als onzijdig zou kunnen worden geidentificeerd .

Nu de besturen van beide instellingen aan hun eerdere standpunt vasthouden en hun vasthoudendheid gisteren zelfs als een belangrijk nieuwsfeit presenteerden, wordt steeds duidelijker dat het grote vertaalproject, vooral in kringen van praktiserende priesters en predikanten, steeds vaker als min of meer overbodig wordt beschouwd.

Afgezien van die kerken waar de Statenvertaling van 1618/1619 nog wordt gebruikt, hanteert men vrijwel overal elders de (katholieke) Willibrordvertaling, verschenen in 1975 en herzien in 1995, waarvoor grote waardering bestaat. Vijftig jaar geleden verscheen de laatste, integrale en inmiddels verouderde vertaling van het NBG. Waarop in 1993, ook al was er met de Willibrordvertaling inmiddels een moderne vertaling voorhanden, door het NBG en het KBS werd begonnen aan een alweer geheel nieuwe vertaalslag. Dat die niet direct nodig was, volgt uit meerdere uitlatingen van de Utrechtse katholieke oudtestamenticus prof. P.C. Beentjes. Volgens hem was het besluit om die nieuwe vertaling te gaan maken, vrijwel uitsluitend ingegeven door kerkpolitieke redenen. Daarmee liet Beentjes, die ook voorzitter is van de Katholieke Bijbelstichting, doorschemeren dat het protestantse bijbelgenootschap er kennelijk op grond van het eigen prestige geen vrede mee had dat er al een katholieke bijbelvertaling bestond, hoe geslaagd die ook allerwegen wordt genoemd.