Hasjcake eten in gezinsverband

Hoe ouder een mens wordt, hoe simpeler zijn wereld eruit komt te zien, ook al denkt menigeen dat het omgekeerde het geval is. Voor een kind en zeker een kind met een ongebreidelde fantasie lijkt het leven op absurdistisch theater waaraan elke logica ontbreekt. Marina Vet, de vertellende hoofdpersoon in Nelleke Zandwijks debuutroman De dag van de jas is zo'n fantasierijk kind. Ze groeit op in de jaren zestig en zeventig in een dorp in de provincie waar een onbegrijpelijke taal wordt gesproken. Zo is Marina er lange tijd van overtuigd dat haar slaapkamer op de eerste verdieping een boom is, omdat in het dialect van de streek het woord boven wordt uitgesproken als boôm. `Iedereen had een boôm. Later begreep ik het verschil tussen een boom en boôm, maar toch bleef er op de een of andere manier een verband bestaan tussen mijn slaapkamer en de eik.'

Als Marina op een dag met haar vader en oma aan het vissen is doet zich iets soortgelijks voor. Ze mag een wens doen van een kabouter die haar pad kruist. `Ik wil graag in de watersaus', zegt ze onmiddellijk. Tijdens een kerkbezoek heeft ze namelijk uit volle borst `To my fathers house' meegezongen met The Original Surinam Gospel Singers. `In de watersaus! In de watersaus! In de watersaus!'

Aanvankelijk lijken de talloze taal- en andere grapjes die in deze roman aan de lopende band de revue passeren enigszins irritant. Totdat duidelijk wordt dat het niet per se de bedoeling is van Nelleke Zandwijk om humoristisch te zijn. Wat haar boek geestig maakt, is dat de ik-figuur consequent blijft observeren als een kind, ook als ze al ruimschoots meerderjarig is. Zonder in zelfvertedering te vervallen, beschrijft Marina in De dag van de jas hoe het haar, haar tweelingzusje Alida en hun ouders vergaat gedurende de eerste eenentwintig jaar van haar bestaan.

Hoedje van papier

In sommige opzichten deed deze roman me denken aan Michel Houellebecqs Elementaire deeltjes, over twee zwaar beschadigde broers die als kinderen van losgeslagen ouders de bandeloze jaren zestig en zeventig ternauwernood overleven. Maar waar Houellebecqs roman een ideologische veroordeling behelst van de seksuele revolutie, het feminisme en andere, aan flower power gelieerde fenomenen, geeft Zandwijk slechts een – in wezen gortdroge – beschrijving van deze verschijnselen. De situaties waarvan ze verslag doet (een `streakende', dat wil zeggen naakt over straat rennende moeder en zus, een vader die `Love' op zijn broek kalkt, hasjcake eten in gezinsverband, ouderlijk overspel uitmondend in echtscheiding) worden door het kind niet minder bizar gevonden dan onbegrijpelijke kinderliedjes over bijvoorbeeld een hoedje van papier of een zus die de hele dag alleen maar `David Bowie' zegt.

Wat op de voorgrond staat in De dag van de jas is niet het tijdsbeeld, juist niet, maar de herkenbare en van alle tijden zijnde groteske perceptie die kinderen hebben van hun ouders. Tussen alle onbegrip (wat weet een kind van volwassen seksualiteit, ontrouw en eenzaamheid?) zitten observaties, zo raak en beklemmend dat je ondanks de kinderlijke overdrijving niet alleen dit beklagenswaardige ouderpaar scherp voor je ziet maar alle ouderparen.

Om het gezin in het kort neer te zetten: de vader is een zwijger, een luisteraar, hij is mank en werkt in een sociale werkplaats waar hij `mongolen' timmerles geeft. Volgens Marina heeft hij zijn echte leven geleid voor hij trouwde, toen hij in Vlaardingen in de drumband zat. Daarna is hij ingezakt. Over het algemeen is de man lamlendig en depressief, maar soms ook niet. Dan snijdt hij scheepjes uit ondeugdelijk appelhout en waant hij zich kapitein van een oorlogsvloot. Vermoedelijk fungeren zijn scheepjes als geheime munitieopslagplaats, want papa beschikt over een onuitputtelijke voorraad rotjes die voor zijn vrouw en dochters onvindbaar is. Af en toe steekt hij die rotjes in huis af, hij gooit ze `bij wijze van grap' tussen de benen van zijn dochters die dat uiteraard niet op prijs stellen. `Maar op de een of andere manier zat er dan wel leven in. We hadden het nog bijna liever dan de periodes waarin zijn Zweedse slipper zo moedeloos aan zijn tenen bungelde en waarin zijn rug als een schelp om zijn hart gevouwen zat.'

Nelleke Zandwijk roept niet alleen een beeld op van de mislukte mismoedige man, maar vooral van het kind dat een genadeloos portret van hem schildert, zoals alleen kinderen dat kunnen. Later, als hij gescheiden is en toegelaten tot een vrijgezellenclub die `Solitairen op niveau' heet, komt hij op een dag zijn inmiddels volwassen dochter van de trein halen. Als gevolg van zijn mankheid struikelt hij. Zijn handen bloeden, zijn broek is gescheurd en omstanders leveren commentaar. `Mijn vader lachte. Het was bijna niet te verdragen', vindt Marina. En even later mijmert ze over de arme sukkel: `Mijn vader, mijn váder die we bekogeld hadden met thee en yoghurt en jus, was veranderd in een solitair van niveau'. Gek, maar bij zulke gênante scènes over zoiets kwetsbaars als een vernederde vader vergaat je het lachen.

En dan de moeder. Volgens haar dochter lijdt ze aan de ziekte van symmetrie, wat betekende dat ze van alles in haar leven twee dezelfde had – vandaar ook een tweeling natuurlijk. Ze is een vrouw die in alle opzichten boven haar stand leeft, dievegge is, zich wil inlikken bij de echtgenotes van dorpsnotabelen en met dat doel een vrouwenhuis opricht waar ze een film met Simone de Beauvoir vertoont. Marina herinnert zich dat De Beauvoir recht in de camera keek en zei: `Vrouwen trouw nooit en als je al getrouwd bent: ga onmiddellijk scheiden.'

Marina's ouders doen dat pas na `de dag van de jas', het begin van de desintegratie van het gezin. De vader, die normaal gesproken een stofjas draagt, steelt uit balorigheid een dure leren jas uit een winkel en dezelfde dag begint moeder een relatie met buurman Bert Bloemsma wiens handen beven als een oud hondje.

Freek de Jonge

Pas tegen het einde van het boek, als Marina een traumatische affaire achter de rug heeft met een criminele Surinamer, krijgt de moeder de eer die ze verdient. Ze neemt haar ontredderde dochter in huis en praat haar iedere avond met krankzinnige familieverhalen in slaap. Ze is heer en meester over de taal, zoals Marina's vader dat is over de materie, handige knutselaar met hout als hij is. Marina, inmiddels studente aan de kunstacademie, verenigt beide talenten, het meesterschap over de taal en dat over de materie, in zich. In dit verband is het mogelijk van belang te weten dat de auteur, Nelleke Zandwijk (1961), behalve schrijfster ook beeldend kunstenaar is.

`Bij het ontstaan van vlekken is snelheid belangrijk', aan dit wasvoorschrift ontleende Zandwijk het motto van haar flitsende debuut. De dag van de jas is een aaneenrijging van puntig geformuleerde, snel achter elkaar gemonteerde tragikomische fragmenten over een jeugd die niet extreem treurig is, maar wel – zoals vrijwel iedere jeugd – gecompliceerd genoeg om eindeloos uit te putten. De vorm van het verhaal heeft door het hoge tempo, de beeldrijke taal, de dubbele bodems en ingenieus in elkaar grijpende scènes nog het meest weg van een conférence van Freek de Jonge. Je krijgt er geen genoeg van, maar constante concentratie is een vereiste.

Nelleke Zandwijk: De dag van de jas. Querido, 173 blz. ƒ33,50