De vogel met de rode poten

Zonder het Nederlands, en zonder poëzie in het Nederlands, zouden wij beklagenswaardige schepsels zijn. Deel twee in de reeks `In het holst van Nederland'.

Nog maar kort geleden lag er sneeuw, misschien ligt het er binnenkort wel weer, even. Tussendoor beloven strakblauwe luchten en vooral de enkele merel die je soms hoort en het bijna onzichtbaar gloeien van de knoppen aan de bomen dat het ook dit jaar weer voorjaar zal worden. Je gooit er wat machteloze woorden tegenaan. Want het voorjaar, het hele vroege, dat is wel wat, maar wat is het. Misschien dit:

Pril voorjaar

De bomen dragen boezelaars,

ook alle vingerdunne bomen.

Het heeft gesneeuwd. De dooi zal komen.

Onder hun schorsen worden voor

grijze dichtvertakte kronen

kaarsen gegoten, witte en roze

kleuren gemengd op houten tafels,

nerven getekend onder hun vel

tiktakt hun zenuwengestel.

Het is een gedicht van de dichter Chr.J.van Geel, een gedicht dat het woord `boezelaar' voor ons bewaart, een gedicht dat de bomen doorschijnend maakt zodat we kunnen zien en weten wat er achter hun schors gebeurt, en een gedicht met vooral de laatste woorden: `onder hun vel/ tiktakt hun zenuwengestel'. Een `zenuwengestel' noemen we zo niet, dat het `tiktakt', als een wekker, lijkt biologisch ook niet vol te houden en verder hebben bomen een schors en geen vel. Dat alles maakt die woorden, die laatste regels vreemd en aantrekkelijk. Je kunt die regels proeven. Wie ze kent kan het voortaan aan de bomen zien, eind februari, begin maart. `Onder hun vel/ tiktakt hun zenuwengestel'.

Eens in de zoveel tijd kom je altijd wel iemand tegen die zegt: ,,Ik lees nooit Nederlandse literatuur. De Nederlandse literatuur interesseert me niet, ik lees alleen maar Engels.'' Eens in de zoveel tijd is er altijd wel iemand die luidop roept dat we aan het Nederlands niets missen, of dat de Nederlandse cultuur niet bestaat. Toen Paul Scheffer schreef dat het, juist nu er zoveel mensen uit andere culturen bij ons zijn komen wonen, van belang is om trots te zijn op onze eigen cultuur, om die hoog te houden, om te weten wie we zelf zijn, want met wie of wat moet er anders geïntegreerd worden, toen waren er natuurlijk ook weer voldoende mensen die zeiden: welke Nederlandse cultuur? Alsof wij die niet hebben. Alsof er niets de moeite van het bewaren waard is. Alsof het er niet toe doet, dat wij de bijzonderheid van die woorden van Van Geel kunnen voelen en begrijpen zoals niemand, behalve een volmaakt tweetalige, dat ooit in een andere taal zou kunnen.

HHet lijkt misschien eigenaardig, ja zelfs onnozel, om, als het moet gaan over onze Nederlandse cultuur en identiteit, met poëzie op de proppen te komen. Weet ik dan niet dat niemand dat leest. Weet ik dan niet dat dichters heel tevreden mogen zijn als er vijfhonderd bundels van ze verkocht worden. Weet ik dan niet dat in deze tijd álles er ongeveer meer toe doet dan poëzie?

Weet ik best. Is niet belangrijk. Dat is allemaal een misverstand. Laat me eerst eens met instemming een van de opwekkende overdrijvingen van Joseph Brodsky citeren: ,,Als wij ons van de overige vertegenwoordigers van het dierenrijk onderscheiden door de taal, dan is de literatuur en in de eerste plaats de poëzie, als hoogste vorm van taalgebruik, grof gezegd het doel van onze soort.''

Taal is een bril, wordt nogal eens gezegd. Door iets te benoemen maak je het tot dat wat je zojuist benoemd hebt, je ziet het zoals je het onder woorden gebracht hebt. Iedereen weet dat, want iedereen maakt gebruik van dat vermogen van taal, door eufemismen te gebruiken, door deftigere of internationalere, of economisch beter klinkende terminologie te verzinnen, door beleefdheidsvormen te gebruiken of juist niet. Taal is onze manier om de wereld en onszelf aan elkaar en aan onszelf kenbaar te maken. Dat is meteen het lastige ervan, want de woorden schuiven zich tussen de ervaring en de taalgebruiker. Is iets eenmaal tot verhaal gemaakt, in woorden vastgelegd, dan vind je de werkelijkheid daarachter nooit meer terug. En misschien is er wel geen werkelijkheid daarachter, wie zal het zeggen. Maar hoe ingewikkeld het ook is, we bestaan voor een belangrijk deel uit taal. Zou die ons afgenomen worden, niet alleen het spraakvermogen maar alle taal, het verstaan, het lezen we zouden niet meer bestaan op een manier die we ons voor kunnen stellen.

We zitten gevangen in onze taal, die tekort schiet (`ik wou het helemaal zeggen/ maar ik kan het toch niet zeggen') maar die tegelijkertijd het enige is dat we hebben. Sommige mensen kunnen er veel beter mee overweg dan andere. Hoe onbeholpen de omgang met de eigen taal ook kan zijn, in geen enkele andere taal heeft men dezelfde rijkdom aan mogelijkheden als in zijn eigen taal, noch actief, noch passief, sterker nog, in geen enkele taal ís men dezelfde als in de moedertaal. Omdat een andere taal andere uitdrukkingsmogelijkheden en voorschriften heeft, is wat er uitgedrukt wordt toch ook anders. Niet totaal anders, maar wel anders. Dat dat zo is, laat zich vaak makkelijk demonstreren door de omgekeerde weg te nemen, een mooi Nederlands gedicht, van Lucebert bijvoorbeeld of van Gorter, proberen te vertalen in een andere taal. Het plezier van de klank, van de woorden en hoe ze bij elkaar staan, van een betekenis die niet anders is te zeggen dan zoals het gezegd is, dat alles is niet over te brengen. Neem deze strofe uit de sensitieve verzen van Gorter:

De zon. De wereld is goud en geel

en alle zonnestralen komen heel

de stille lucht door als engelen.

Haar voetjes hangen te bengelen,

meisjesmondjes blazen gouden fluitjes,

gelipte mondjes lachen goudgeluidjes,

lachmuntjes kletterend op dit marmer,

ik zit en warm m'er.

,,Poëzie is datgene wat verloren gaat in vertaling'', zei de Amerikaanse dichter Robert Frost. Iets raakt weg. Iets dat er in het Nederlands (of in het Engels, het Russisch of het Swahili) van het oorspronkelijke gedicht wèl is. Dat iets, daar gaat het om. Het is dat wat voor `native speakers' te herkennen en te begrijpen is, maar voor een buitenlander moeilijk of niet. Dat iets is daarmee een verfijning van onze taalmogelijkheden en dus ook van wie we zijn.

De dichter T.S. Eliot heeft eens in een essay dat hij `De sociale functie van poëzie' noemde uiteengezet waarom poëzie zo belangrijk is voor een land: ,,Poëzie herinnert ons voortdurend aan al die dingen die slechts in één taal kunnen worden uitgesproken en die onvertaalbaar zijn.'' Dichters drukken onder meer persoonlijke gevoelens en emoties uit in een persoonlijk gebruik van de taal van hun land, zodanig dat wat ze schrijven ook voor sommige anderen, dat wil zeggen voor diegenen die bereid zijn hun best ervoor te doen, te begrijpen en na te voelen is. ,,Waar het om gaat is dat in een homogeen volk de gevoelens van de meest verfijnde en complexe geesten iets gemeen hebben met die van hun grover besnaarde, simpeler landgenoten, iets dat ze niet gemeen hebben met die van mensen van hun eigen niveau die een andere taal spreken,'' meent Eliot. Door zijn gedichten bezorgt de dichter zijn taalgenoten gevoelens of sensaties die ze eerder nog niet hadden of wel al hadden maar zonder ze uit te kunnen drukken. Dankzij de dichter bestaan er nu woorden voor datgene wat er gevoeld wordt. ,,De veranderingen en ontwikkelingen van een bepaalde sensibiliteit, die eerst beperkt blijven tot een kleine groep, dringen dan langzamerhand vanzelf in de taal door, dankzij hun invloed op andere schrijvers die veel vlugger populair worden.'' En via die schrijvers wordt die sensibiliteit, verdund misschien, tot gemeengoed. Zo beïnvloedt de dichter niet alleen de taal van zijn land, maar ook de gedachten en gevoelens in zijn land en schept hij bovendien de mogelijkheid om die gedachten en gevoelens uit te drukken ook voor diegenen die zijn gedichten nooit gelezen hebben.

Een goed voorbeeld daarvan is de regel van Lucebert die door een verzekeringsmaatschappij gebruikt werd: `Alles van waarde is weerloos'. Je hoort het iedereen zeggen, het is een besef dat dankzij die dichtregel tot iets heel gewoons is geworden. Zo zijn er meer dichters die een verfijning of verbijzondering van ons gevoel, of van ons uitdrukkingsvermogen, wat daar zoals gezegd niet altijd makkelijk van te onderscheiden is, teweeg hebben gebracht. Wie is nooit eens `domweg gelukkig in de Dapperstraat' zelfs al is hij in het geheel niet in de Dapperstraat, daar zelfs nog nooit geweest? Menigeen denkt aan Holland en ziet `brede rivieren, traag door oneindig laagland gaan', ook al ziet hij geen rivieren voor zich. Maar dat gedicht drukt wel iets uit over `Holland' dat menigeen na aan het hart ligt. Wat het uitdrukt is misschien alleen maar zichzelf, het zijn de bewoordingen waaraan men zich optrekt en hecht. `Een nieuwe lente en een nieuw geluid' is bijna tot een cliché geworden en mensen die nooit een dichtbundel open doen voelen zich soms toch `een God in het diepst van hun gedachten' of blijken geboren te zijn `uit zonnegloren en een zucht van de ziedende zee' (of `in Apeldoorn en me zuster in Zierikzee'). Zien we de zee dan klotst zij voort in eindeloze deining en dat schoonheid in onze tijd haar gezicht heeft verbrand hoef je bijna niemand meer te vertellen. Ook buiten de kring van poëzielezers om is er veel poëzie te vinden, dat wil zeggen, van hun gedichten afgedwaalde regels die iedereen kan begrijpen en gebruiken, die iedereens Nederlands niet alleen, maar ook iedereens voelen, iedereens blik hebben gevormd en beïnvloed. Op die manier is poëzie in de eigen taal inderdaad machtig, of in ieder geval: belangrijk.

Zou een land nu geen grote schrijvers en vooral grote levende dichters meer hebben, schrijft Eliot, dan zou dat rampzalig zijn voor de taal, en voor de ondervindingen en ervaringen in dat land. Want onze ervaring met de wereld, de wereld zelf en wij zelf veranderen voortdurend. En dat alles vraagt dan ook om steeds nieuwe uitdrukking van die ervaringen.

Het is niet voldoende om al een Vondel of een P.C. Hooft te hebben, hoezeer hun gedichten soms ook iets uitdrukken dat wij nog steeds precies zo voelen. Er zijn manieren van in-de-wereld-staan verdwenen en andere bijgekomen. Daarom moeten de dichters blijven dichten. Eliot schrijft dat hij, als hij van een land zou horen waar geen gedichten meer geschreven werden, dat land zou beschouwen als een zieke plek, ,,als het begin van een verval dat ertoe zou leiden dat de mensen nergens meer in staat zouden zijn om uitdrukking te geven aan de emoties van beschaafde wezens, en daardoor zouden ze die emoties ook niet meer kunnen voelen.'' Want buiten de taal om bestaan we niet, of gebrekkig.

Daarmee wordt geen cultureel isolationisme aanbevolen. Geen literatuur of cultuur gedijt zonder invloeden van buitenaf. Dezelfde Eliot is ook de man van de vaak geciteerde uitspraak: `Poetry can communicate before it is understood' en hij achtte dat ook van toepassing op gedichten in een vreemde taal. Die zeggen ook de buitenlandse lezer iets, iets dat specifiek is voor die taal en taalgebruikers, iets dat hij misschien niet begrijpt, maar wel voelt. Onze dichters en schrijvers worden beïnvloed door andere literatuur, andere cultuur, en niet alleen de dichters en schrijvers, wij allemaal. En dat is maar goed ook.

Daarom ook moet er steeds nieuwe poëzie geschreven worden, om taal te vinden voor die beïnvloeding die verandering is. En daarom moet de oude poëzie gelezen blijven worden om vast te houden wat er al was, daarom moet het Nederlands in ere gehouden worden, opdat wij onszelf niet afsnijden van onszelf zoals we zijn uitgedrukt door Huygens, Gorter, Nijhoff.

Ida Gerhardt roept in haar prachtige gedicht `Anamnesis' (Herinnering) een heel Nederlands beeld op, een tureluur in een weiland aan een rivier. Ze denkt aan de Nijl waar de vogel vandaan komt, en zo brengt ze die twee elkaar vreemde, maar nu in haar gedicht door een tureluur en door wie naar hem kijkt verbonden landen bijeen. Misschien zou het zo eenvoudig en vanzelfsprekend moeten zijn, het eigene en het andere:

Teruggekomen eer hij werd verwacht,

over de bergen, uit het zuiderland

van akkerstroken en rimpelende Nijl:

de vogel met de rode poten, tureluur.

Ginds heeft, wanneer het oeverriet ontsteeg

het wielend roepen, in zijn ronde boot

van wilgenribben en huid de Nijlvisser

het kenterend getij gespeurd en weet gehad

en niet gehad, van kleuren van een land

dat hij nooit zag: een groene uiterwaard,

de planten op een blauw bazalten krib,

de regenwolken waar het licht door breekt.

`Weet gehad en niet gehad' zo is het vaak met poëzie. En zouden we geen Nederlands meer hebben, en geen Nederlandse gedichten meer, dan zou er veel zijn waarvan we geen weet meer zouden hebben. Iets als een `blauw bazalten krib', iets als `het wielend roepen' van de tureluur, en besef van verbondenheid door het kleine, een besef van verbondenheid met elkaar om iets wat we kunnen delen zelfs als we het niet doen, zo'n vroege voorjaarsdag, het vogelgeluid, de rivier, de woorden. Wij. Wie we zijn.

Volgende week begeeft de schrijver/acteur Ramsey Nasr zich in Het holst van Nederland