De taaie strijd Brussel-Den Haag 1

Minister Korthals van Justitie gaat met lood in de schoenen naar Brussel. Moet hij bij zijn Europese collega's wéér een Nederlands voorbehoud maken.

Steeds als de Nederlandse minister van Justitie, Benk Korthals, naar Brussel gaat om met zijn Europese collega's te overleggen, heeft hij lood in de schoenen. Steeds moet hij van het Nederlandse parlement bij bepaalde agendapunten een `voorbehoud' maken. Dat betekent dat Nederland zich, op die punten, van stemming moet onthouden. De reden: het parlement, dat instemmingsrecht heeft in wat de minister in Brussel (of andere Europese vergaderplaats) zegt en doet, heeft de stukken te laat ontvangen om er iets zinnigs over te kunnen zeggen.

Deze situatie brengt Korthals, zoals gisteren weer bleek, in een lastig parket. Zijn collega's raken geïrriteerd. Nu stelt Korthals voor om het systeem te veranderen. Hij wekte beroering onder Nederlandse parlementariërs die zeggen dat aan hun instemmingsrecht niet valt te tornen. Eén ding is opmerkelijk: hoewel alle nationale parlementen in de Europese Unie dit instemmingsrecht hebben, wenst alleen het Nederlandse parlement er principieel gebruik van te maken.

Het probleem is structureel. Over Justitie en Binnenlandse Zaken heeft de Europese Commissie niets te zeggen. De Commissie kan een wetsvoorstel doen, maar dat wordt alleen van kracht als alle vijftien EU-ministers het ermee eens zijn. Anders dan bijvoorbeeld bij Landbouw, waar een voorstel aangenomen kan worden als tweederde van de ministers het steunt, is een voorstel op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken al met één veto niet door. Daardoor is het moeilijk om tot besluiten te komen: er is vaak wel één land tegen.

`Europa zonder grenzen' schreeuwt om een communautaire aanpak, maar de regeringsleiders hebben tijdens de Top van Nice, in december, besloten om dit systeem te handhaven. Strafrecht, asielwetgeving en dergelijke blijven een soevereine zaak. De ministers hebben op dit gebied alle macht. Het Europese parlement heeft alleen `adviesrecht'. Om de ministers toch tot de orde te kunnen roepen, is in het Verdrag van Amsterdam (1998) vastgelegd dat de nationale parlementen instemmingsrecht hebben. Daarom moet elke Europese minister twee weken vóór de Raad met alle Raadsstukken naar zijn parlement.

Dit is ondoenlijk. Juist doordat voor elk onderwerp consensus nodig is, zijn diplomaten soms tot enkele uren voor de ministers arriveren nóg bezig bepaalde dingen bij collega's `uit te masseren'. Twee weken voor de Raad zijn er wel stukken, maar die worden daarna vaak weer bijgeschaafd. ,,Als een minister op tijd naar zijn parlement gaat'', zegt een diplomaat, ,,lost dat weinig op. Dan zegt het parlement later: sinds wij de stukken lazen, is er wat veranderd, wij willen ze opnieuw bekijken''.

Elk land kent dit dilemma. Alleen in Nederland is het op de spits gedreven: sinds de regering met het hier omstreden Schengenverdrag instemde, neemt de Kamer haar instemmingsrecht naar de letter. Zo ontstond in december de situatie dat de Kamer Korthals niet over de oprichting van Eurodac liet stemmen een vingerafdrukken-systeem voor asielzoekers doordat ze de stukken te laat hadden gekregen, terwijl de Kamer het inhoudelijk met Eurodac eens was. Ook gisteren moest Korthals de besluitvorming over twee onderwerpen ophouden op procedurele, niet-inhoudelijke gronden. Zijn Europese collega's maakten er snerende opmerkingen over.

Veel parlementen laten de minister zonder veel problemen naar de Raad gaan. Maar ook de Deense, Finse en Britse parlementen zitten er bovenop. Ook daar raken ministers soms verstrikt in de democratische paradox. ,,De chemie tussen minister en parlement is beslissend'', zegt een diplomaat. ,,Er hoeft in Denemarken maar één parlementariër op te staan die principieel gaat doen, of er is een probleem''.