De mystiek van niets en niemendal

Over verveling zijn indrukwekkende studies verschenen. We hebben Emile Tardieus L'Ennui. Etude psychologique (1903), in 1951 verscheen de meeslepende studie De psychologie van de verveling van Dr. W. Luypen, ik vond de website www.bored.com en er is Adam Philips' `psychoanalytische studie over het ononderzochte leven' On Kissing, Tickling and Being Bored (1993), waarin de auteur demonstreert hoezeer onze geestelijke gezondheid afhangt van onderzoek op een gebied dat zich met hand en tand tegen onderzoek verzet. Ook de andere kant van de medaille wordt belicht. Bij voorbeeld in C. Buddingh's Verveling bestaat niet (1972), Jim Erskine's Fold a Banana and 146 Other Things to Do When You're Bored uit 1978 of de anarchistische website www.notbored.org.

Het minste wat we van dit koor van fonen en antifonen kunnen opsteken is dat aan verveling twee kanten zitten. Er is een gat om in te vallen, er is een gat om gevuld te worden. Blijft men lijdend op de rug liggen, bleek van verveling, dan gebeurt er niets. Gaat men vullen, gebruikt men verveling als aandrift tot actie om van diezelfde verveling af te komen dan kunnen er mooie dingen plaatsvinden. De fraaiste dingen gebeuren echter als men verveling gebruikt als aandrift om juist niet van die verveling af te komen, maar om zich het gat nog dieper in te spitten en zich daar, meters beneden het maaiveld, op de bodem – actief, energiek – te wentelen in het totale niets.

Betekenis nul, de zin ervan nihil, het bestaan gereduceerd tot het pure zijn.

Je zou het bijna `mystiek' kunnen noemen. Mystiek van dergelijke soort – categorie `picturaal' – heb ik zelf eens proberen op te wekken, door met een vriend af te spreken elkaar bij ieder uitstapje naar een vreemd land of verre stad de saaiste ansichtkaart te sturen die er maar te vinden was. Ik postte in het Zweedse Storfors een kaart van het plaatselijke dienstencentrum, hij stuurde een beeld van het in de jaren zeventig opgetrokken bejaardenhuis te Oldemarkt (Overijssel). We wisselden ansichten uit van vliegveldwachtruimtes, memorabele viaducten, campingkantines, winkelcentra, et cetera. Op een of andere manier verwaterde onze afspraak, misschien was het gewoon te saai. Maar ik betreurde het wel, zeker toen ik de collectie onder ogen kreeg die Martin Parr aanlegde en door Phaidon Press in 1999 schitterend werd uitgegeven: Boring Postcards. Ik moest opnieuw aan mystiek denken, van de tergendste, meest vretende en aanschouwelijkste soort. Je stelde je onmiddellijk voor als een heremiet, binnen de bebouwde kom, omringd door pure woestijn. Snelwegen, busstations, postkantoren, zwembaden, een motellobby, beelden die je onmiddellijk op de gedachte brengen dat als God ergens bestaat, het beslist elders moet zijn.

Als ik mij het interieur van een woestijnvaderkluis binnen de Vinex-kom tussen aanleunwoningen of twee verzekeringskantoren voorstel, zie ik een harde brits van hout, tafel, stoel en kale muren. Geen gesneden beelden, geen schilderijen aan de muur. Het geijkte beeld, ook van woestijnvaders buiten de bebouwde kom in heden en verleden.

Nu verscheen echter – eindelijk – een boekwerk dat de mogelijkheid biedt om dat kluisinterieur doeltreffend aan te kleden: het door Wayne Hemingway samengestelde Just Above the Mantelpiece. We hebben te maken met kunst voor de massa: het wenende zigeunermeisje, een eenzame bloem in een verbrand landschap, de Spaanse schone met een werkeloze gitaar, de clown, het betraande jongensgezichtje, het ondervoede weeskind, het olijk ogende schoffie, een vissersboot bij een vet geschilderde zonsondergang, barstend van rood en oranje. Just Above the Mantelpiece biedt picturale muzak. Alles wat we van die bij miljoenen gereproduceerde beelden kunnen vaststellen is dat het aanwezig is, het hangt boven de schoorsteenmantel, of naast de kapstok in de gang, that's it.

Een van de belangrijkste antidotums die Dr. W. Luypen de lezer van zijn De psychologie van de verveling biedt, is het zoeken van `sterk inwerkende prikkels'. Die prikkels ontbreken in de kunstwerken die Wayne Hemingway verzamelde. Ze doen er in sommige gevallen wel hun best voor. De ravenharige, badende nimfen, de softe cybererotiek, het strijklicht dat over de huid van een op een boomstam leunende, mediterrane schoonheid is gelegd: men heeft een vaag beroep willen doen op heupstreek-weemoed, op hunkeren en haken naar iets wat geweest is en hopelijk nog eens terugkomt. Andere beelden vragen om mededogen, smeken om mede-guitigheid, om uitroepen als `kijk eens, wat schattig!' of `achgod!'. Maar het werkt niet. Als er al prikkels van zijn uitgegaan dan zijn ze in massale herhaling uitgewerkt, beelden die men te vaak ziet, ziet men immers niet meer.

Een feest der herkenning, Just above the Mantelpiece, een feest dat men zo snel mogelijk wil verlaten. Echter, als men het gevoel weg te willen bestrijdt, dan daalt een hogere vorm van verveling in. De verveling van Boring Postcards, de wereld van stilstand en stilte. Ongetwijfeld heeft geen van de kunstartiesten die deze voorstellingen conterfeitten het zo bedoeld, Wayne Hemingway moet hebben geweten dat zijn verzameling op die manier werkt.

We kijken rond in de urbane woestijnvaderkluis, met alle massa-stukken boven en naast de schoorsteenmantel. En besluiten te blijven in de van God verlaten mystiek van het niets en niemendal. Een ouderwets tergende verzoeking, pure verveling, maar uiterst stichtend.

Wayne Hemingway: Just above the Mantelpiece, Mass-market Masterpieces Booth-Clibborn Editions, 239 blz. ƒ141,75