De eenzaamheid van een grensganger

Als er iemand leeft volgens het adagium `schrijven tussen twee culturen', dan wel de Palestijns-Amerikaanse schrijver Edward Said. Een oeuvre lang probeert hij de Arabische en de westerse wereld ten opzichte van elkaar te verduidelijken. Hoe de pendelgang tussen twee werelden niet enkel bevrijdend is, maar ook verscheurend.

We stuiten dezer dagen al te vaak op het geromantiseerde beeld van de vluchteling als belichaming van een wereld die steeds meer in beweging is. De balling wordt beschreven als een voorloper, hij vormt een soort voorhoede tegen wil en dank. Zo wordt een ervaring die toch doorgaans traumatisch is, omgemunt tot een meerwaarde. Men kan zich van alles voorstellen bij die poging om van de nood een deugd te maken; sommige schrijvers hebben zich op een bewonderenswaardige manier in een nieuw taalgebied gevestigd. Maar in weerwil van die geslaagde inspanning om zichzelf aan de haren uit de modder te trekken, mag toch niet worden vergeten dat het begint met modder.

Iemand die niet houdt van het beeld van de balling als een postmoderne held, is de Palestijns-Amerikaanse schrijver Edward Said (1935). In zijn pas verschenen bundel Reflections on Exile merkt hij op: `Ballingschap oefent een vreemde aantrekkingskracht uit op het denken, maar is verschrikkelijk om te ondergaan'. Hoewel Said een tamelijk geprivilegieerde jeugd heeft doorgebracht in Kairo en later naar Amerika is geëmigreerd weet hij wel waarover hij spreekt. Want een terugkeer naar zijn geboortehuis in Jeruzalem is voor hem en zijn familie na de stichting van de staat Israël in 1948 onmogelijk geworden. Zoals zovelen behoort Said tot de Palestijnse diaspora.

Een deel van zijn verleden is buiten bereik geraakt. Dat is een duurzaam verlies. Ook Said weet dat deze nood kan worden omgevormd tot een deugd en hij spreekt zelfs over het `plezier van de ballingschap'. Maar toch: `De verworvenheden van de ballingschap worden voortdurend ondermijnd door het verlies van iets dat voorgoed is achtergelaten'. Hij noemt de overdrijving, het `overstatement', typerend voor de stijl van schrijvers in ballingschap.

`Schrijven tussen twee culturen' – het is zo gemakkelijk gezegd. De meerwaarde van iemand die erin slaagt uiteenlopende werelden met elkaar in verband te brengen en zo een trait d'union te vormen, is voor eenieder zichtbaar. Op zijn beste momenten is Said erin geslaagd zo'n rol te spelen tussen de vaak tegenstrijdige, zo niet vijandige westerse en Arabische wereld. En tegelijk zien we in zijn leven en werken de problemen opdoemen van een grensganger die nooit op een vanzelfsprekende manier welkom is en al te gemakkelijk in een niemandsland verzeild kan raken.

Reflections on Exile bevat een breed uitwaaierende keuze uit Saids gehele cultuurkritische oeuvre. Naast opstellen over klassieke muziek treffen we een beschouwing aan over Tarzan, we overbruggen de afstand van Kairo naar New York en behalve literaire stukken over Hemingway, Mahfouz en Orwell zijn er politieke verhandelingen over de Palestijnse kwestie.

Wie naar een lijn of ontwikkeling in deze keuze van vijfendertig jaar essayistiek zoekt, vindt die in een veranderende waardering van de mogelijkheden van een universele beschaving. Saids eerdere werk staat in het teken van een ideologiekritiek die het westerse universalisme wil ontheiligen als een vorm van dwingelandij en eigenbelang. Zijn geschriften van de laatste vijftien jaar worden daarentegen gekenmerkt door een humanisme dat juist de mogelijkheid van een waarachtige gedeelde beschaving wil onderzoeken. De spanning tussen deze motieven wordt niet echt opgelost.

Het boek dat Said beroemd maakte is Orientalism (1978), een studie naar de relatie tussen beeldvorming en beheersing van het nabije Oosten door Europa. Voortbouwend op de inzichten van de Franse denker Foucault over de verwevenheid van kennis en macht en die van de Italiaanse filosoof Antonio Gramsci over culturele hegemonie, onderzoekt Said hoe de wetenschappelijke oriëntalistiek de koloniale onderneming van vooral Frankrijk en Engeland heeft gediend. Ook de literatuur van bijvoorbeeld Gustave Flaubert plaatst hij in deze context. Achter diens beroemde beschrijving van een doorwaakte nacht met de Egyptische courtisane Kuchuk-Hanem – `haar boezem geurde naar zoete terebintenhars' – doemt een beeld op van de Oriënt als een feminine cultuur die als het ware uitnodigt tot penetratie en verovering, aldus Said. De pen en het zwaard gaan zo een stilzwijgend verbond aan.

Het is uiteindelijk een nogal hermetisch beeld dat Said schetst in Orientalism, zoals valt af te lezen aan conclusies als deze: `in wat hij kon zeggen over de Oriënt was elke Europeaan een racist, een imperialist en bijna volkomen etnocentrisch'. Maar ook critici die in deze generalisering van Said een spiegelbeeld zien van het oriëntalisme – zeg maar een vorm van `occidentalisme' – ontkomen niet aan zijn dwingende waarnemingen. Aan de hand van vele voorbeelden laat hij zien hoe het beeld van een onderontwikkelde Oriënt werd geconstrueerd. Lees de oordelen van grote liberale denkers als Alexis de Tocqueville over Algerije of John Stuart Mill over India, en de onschuld waarmee we onze klassieken benaderen maakt plaats voor de erkenning dat de koloniale ordening onze beschaving doortrekt.

Het afscheid van een eurocentrisch wereldbeeld, dat door Saids oeuvre is bespoedigd, heeft er mede toe geleid dat vergelijkbare projecties ook binnen Europa zelf meer nadruk kregen. Want Europa is evenmin als `de Oriënt' een homogene cultuur: er zijn tal van vormen van koloniale overheersing en beeldvorming over naties als Ierland, Polen of Servië. In een opstel Yeats and decolonization heeft Said het werk van de beroemde Ierse dichter in dat licht herlezen. Door Orientalism geïnspireerde auteurs hebben de culturele constructies van beschaving en barbarij beschreven langs een Oost-West breuklijn op het continent: Larry Wolff bijvoorbeeld in zijn Inventing Eastern Europe (1994) en Maria Todorova in Imagining the Balkans (1997).

In latere beschouwingen heeft Said zich erover beklaagd dat zijn manier van kijken ook vaak is misbruikt. Hij heeft moeten vaststellen dat zijn postkoloniale pleidooi de aanleiding is geworden tot een vloedgolf van studies die zich beroepen op een eigen identiteit van volken of culturen die alleen door deelgenoten kan worden beschreven en onderzocht, zoiets als `eigen ervaring eerst'. Zo'n cultivering van eigenheid is nu juist geen bevrijding, in de zin van Said, maar eerder een bestendiging van vroegere koloniale denkbeelden over inheemse culturen.

Toch kan Said zichzelf niet helemaal vrijpleiten van verantwoordelijkheid voor zo'n uitleg van zijn kritiek op het eurocentrisme. In Orientalism acht hij immers zelf het meest kenmerkende element van de oriëntalistiek de blik van de buitenstaander, die de pretentie heeft om uitdrukking te geven aan een beschaving die niet bij machte is zichzelf te representeren. Het is niet toevallig dat velen daaruit hebben geconcludeerd dat de enige `waarachtige' stem daarom die van de insider moet zijn.

Said lijkt zich er wel steeds meer van bewust te zijn geworden dat zulk cultuur- en waarheidsrelativisme een doodlopende weg is. In Reflections on Exile neemt hij bijvoorbeeld afstand van het denken van Foucault, ten tijde van Orientalism nog een van zijn grote voorbeelden. De laatste jaren legt hij ook steeds meer nadruk op de mogelijkheid van een universele beschaving. In een afsluitend gesprek voor de Edward Said Reader – een boek dat een goede introductie tot zijn werk biedt – omschrijft hij zichzelf als een `humanist' en zegt hij te werken aan een studie waarin ook de niet-westerse bijdragen aan een humanistische beschaving moeten worden beschreven. Een werkelijke bevrijding ligt dus in het deelnemen aan een universele cultuur. De gedachte dat mensenrechten bijvoorbeeld een westerse ideologie zijn, is volgens deze latere Said onzin. Er zijn grenzen aan het ontmaskeren van ideologieën: marteling is marteling en pijn wordt in Sri Lanka niet anders ervaren dan in Frankrijk.

Wat een rode draad blijft in zijn werk, is de uitnodiging om het denken over de niet-westerse wereld te `dekoloniseren'. De culturele onteigening die deel uitmaakt van ongelijke machtsverhoudingen is door Said zichtbaar gemaakt, ook al is zijn oordeel over de huidige postkoloniale werkelijkheid tegelijkertijd vaak hard. Zijn kritiek op talloze Arabische regimes die na de onafhankelijkheid de weg van onderdrukking en nepotisme zijn ingeslagen, heeft hem in menig opzicht tot een outsider gemaakt. Aanvankelijk was hij bijvoorbeeld zeer gewild bij de Palestijnse autoriteiten (van 1977 tot 1991 was Said zelfs een prominent lid van de Palestijnse Nationale Raad), maar na zijn compromisloze kritiek op het corrupte bewind van Yasser Arafat en zijn verzet tegen de akkoorden van Oslo, werden zijn boeken verboden op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza. Zijn kritiek, zoals valt na te lezen in een eerdere bundel, The End of the Peace Process, (2000) getuigde van een vooruitziende blik. Het heeft hem weinig sympathie opgeleverd.

Zo is de poging om twee culturen ten opzichte van elkaar zichtbaar te maken allerminst gemakkelijk. De titel van Saids jeugdherinneringen, Out of Place (1999), vat een heel leven samen. Dat begint al met zijn verwarrende, samengestelde naam: het zeer Britse `Edward' en het Arabische `Said'. Zijn autobiografie leest als een zoektocht naar wat er verscholen gaat onder dat `Edward', product van koloniale scholen: `Ik heb altijd dit onbestendige gevoel van verschillende identiteiten, die meestal in conflict waren, met me meegedragen. `Edward' moet nog steeds elke dag opnieuw beginnen, om doorgaans aan het einde van de dag vast te stellen dat er maar bitter weinig goed is gegaan'. Die onzekerheid is de echo van een opvoeding door een zeer dominante vader en is tegelijkertijd een voortdurende herinnering aan zijn tweederangs positie als Arabische jongeling op school.

Opgeleid aan Britse en Amerikaanse scholen voor de toekomstige elite in Kairo en later werkzaam aan de beste Amerikaanse universiteiten, heeft Said daarna zijn leven gewijd aan het bestuderen en bekritiseren van de westerse literaire canon. En in weerwil van zijn harde kritiek op een gevierd schrijver als V.S. Naipaul – die hij portretteert als een koloniale fellow traveller – deelt hij in menig opzicht, zoals duidelijk is in zijn veroordeling van Arafat, Naipauls scherpe oordeel over de postkoloniale wereld. Dat uit zulke oordelen ook de verscheurdheid van veel ballingen en migranten spreekt, is wel zeker. In Saids soms onevenwichtige kritiek op het land van herkomst is dat verlies voelbaar. Hoezeer hij ook het koloniale beeld wil weerspreken van een passieve Oriënt die zichzelf niet zou kunnen vertegenwoordigen, tegelijk hekelt hij het ontbreken aan universiteiten in het Midden-Oosten van systematische en onafhankelijke studie naar de eigen culturele tradities, en naar die van het Westen.

In zijn muzikale voorkeuren herkennen we dezelfde tweeslachtigheid tegenover de Arabische en de westerse traditie. Said is een begenadigd pianist en kenner van de klassieke muziek; verschillende beschouwingen in Reflections on Exile zijn aan het onderwerp gewijd. De enige muziek die er toe lijkt te doen, is die van grote Europese componisten als Beethoven – dàt is pas een werkelijk universele cultuur, meent Said. Eens gevraagd naar zijn oordeel over de fameuze Egyptische zangeres Umm Kalthoum, was zijn opmerkelijke, korzelige antwoord dat zulke muziek, zonder contrapunt, een apathische cultuur vertegenwoordigt. Heel ver verwijderd van de clichés van de oriëntalistiek over het `passieve' Oosten, zijn we dan niet meer verwijderd. Het is een paradoxale houding die we ook aantreffen in zijn denken over de universiteit. Said hoort bij de grote geëngageerde intellectuelen van de twintigste eeuw, maar tegelijkertijd verdedigt hij met verve het onthechte ideaal van de niet-politieke universiteit, zoals we dat aantreffen bij de negentiende-eeuwse katholieke denker John Henry Newman.

Hij probeert deze spanning op te lossen met zijn beeld van de kritische intellectueel als `balling'. Wie tegen de stroom in denkt, zal eeuwig een buitenstaander blijven; een open samenleving leeft van zulke geestelijke `ballingschap'. Zo kan Said met Adorno zeggen: `Het hoort bij de moraal om niet bij zichzelf thuis te zijn'. Zulke metaforen kunnen waardevol zijn, zolang we maar niet over het hoofd zien dat er een wezenlijk verschil is tussen de vrije keuze voor een intellectuele positie aan de rand van een maatschappij, en het noodlot dat mensen hardhandig over de grens kan drijven. Eenzaamheid die is opgezocht, heeft een volstrekt andere lading dan eenzaamheid die wordt opgedrongen.

Voor de onafhankelijke denker, die altijd een gevoel voor het provisoire karakter van de werkelijkheid moet belichamen, is de reiziger en niet de machthebber het oriëntatiepunt, aldus Said. Van de Italiaanse filosoof Vico heeft hij geleerd dat de meest imponerende feiten en gegevens altijd weer een bescheiden karakter krijgen als ze worden herleid tot hun beginpunt, als ze worden gezien in hun wordingsgeschiedenis. Gevoel voor menselijke geschiedenis gaat zo samen met liefde voor meerstemmigheid, in de muziek en in het denken: `Polyfonie, de organisatie van meerstemmigheid, is hetgeen me echt bezighoudt', schrijft Said.

Edward Said heeft veel bijgedragen aan de ondermijning van het eurocentrische wereldbeeld. Hoe diep die `dekolonisering' van ons denken werkelijk gaat valt ten slotte nog te bezien. Kunnen we ons bijvoorbeeld iets voorstellen bij een andere eigentijdse lingua franca dan het Engels? De schok van de aanraking met het vreemde die zeer veel gekoloniseerde samenlevingen de afgelopen eeuwen ten diepste hebben ondergaan, is een verschijnsel waarvan in de moderne westerse geschiedenis geen voorbeeld is.

Ondanks zijn soms geharnaste beweringen, heeft Saids pendelgang tussen Oost en West een subtiel oeuvre voortgebracht. Overtuigend laat hij in Reflections on Exile bijvoorbeeld zien hoe reducerend de berichtgeving over een veelvormige beschaving en religie als de islam nog altijd is. Dat klinkt ook door in een kritiek op het veelbesproken The Clash of Civilizations, waarin Samuel Huntington een nieuw type conflict voorspelt langs de breuklijnen van complete beschavingen. Zo zouden het Westen en de islam tegenover elkaar staan op een manier die te vergelijken is met het conflict tussen democratie en totalitarisme voor de val van de Berlijnse Muur. `Hij schrijft als een crisismanager, niet als een onderzoeker van beschavingen, noch als een verzoener', schrijft Said over Huntington. Zijn repliek luidt dat alle wezenskenmerken die bij Huntington aan beschavingen worden toegedicht, meer het karakter hebben van voorschriften dan van empirische beschrijvingen. Op zijn conclusie valt niet veel af te dingen: `Hoe meer nadruk we leggen op de scheiding van culturen, hoe onzorgvuldiger we zijn over onszelf en anderen.'

Met zijn gang tussen de culturen van het Westen en het Midden-Oosten is Said een levend bewijs van de mogelijkheid van een culturele dialoog. Maar in zijn recente formuleringen zien we ook heel goed de verschuiving in een oeuvre waarin eerst de botsing van beschavingen in het middelpunt staat, en waarin het later gaat om de verzoening van beschavingen. De onopgeloste spanning tussen die gezichtspunten is de uitkomst van een leven als grensganger. De ontmaskering van het westerse zelfbeeld gaat niet eenvoudig samen met waarachtig universalisme; voorbij het bekritiseerde eurocentrisme duikt namelijk een hardnekkig relativisme op. Dat Said zo vaak in de rol van buitenstaander is terechtgekomen, wijst erop dat naast de vervlechting ook de wrijving van culturen onmiskenbaar deel uitmaakt van onze werkelijkheid. Daarom is schrijven tussen twee culturen ook zo'n mooie, maar moeilijke opgave.

Edward Said: Reflections on Exile and other essays. Harvard University Press, 617 blz. ƒ99,85 (geb.) Edward Said: The end of the peace process. Oslo and after. Granta, 345 blz ƒ66,90 (pbk) M. Bayoumi en A. Rubin (red.): The Edward Said reader. Vintage Books, 472 blz. ƒ44,25 (pbk)