Binnen gloeit de illusie

De kunst in een traditioneel museum moet opboksen tegen een wereld vol verleidingen. Pierre Huyghe veranderde het Van Abbemuseum in Eindhoven in een `experience'.

Plotseling valt het licht uit.

De bezoekers van de tentoonstelling van Pierre Huyghe in het Van Abbemuseum verlaten verdoofd hun zalen. Muziek verstomd, film gestopt, illusie gebroken. Bijgelicht door een paar vale bakken, belanden ze op het centrale plein van de tentoonstelling. Daar bungelt een kaal lampje, gedoofd en doelloos. Nu licht het op. Het dimt weer, licht weer op en dimt weer, alsof er een geest in het peertje is gekropen. Dan klinkt er een warme vrouwenstem door de ruimte. Die zegt:

I am taking a break.

Take a break yourself!

Have a cigarette or something.

Relax!

Terwijl de vrouw verder praat kijk je om je heen. Bijna alle bezoekers hebben zich op het pleintje verzameld. De een stond net nog in een van Huyghes zaaltjes naar een scène uit de film Dog Day Afternoon te kijken, waarin Al Pacino een wanhopige bankovervaller speelt. Een ander luisterde naar Sneeuwwitje. Twee jongens speelden het computerspelletje Pong op Huyghes lichtgevende plafond. Nu staan ze daar allemaal, weggerukt uit hun illusie – maar is dat wel zo? Hoe langer je daar staat, en luistert naar de stem, hoe duidelijker het wordt dat Huyghe de ene illusie op de andere heeft gestapeld. De illusie van Sneeuwwitje en Al Pacino is vervangen door de illusie van een stroomstoring. De illusie van een vrouw die je toespreekt. De illusie van saamhorigheid met je mede-toeschouwers. Door te breken met de eerste illusie heeft Huyghe zijn toeschouwers alleen maar dieper zijn wereld ingezogen.

Dat kunst over illusie gaat, werd de afgelopen jaren nergens zo duidelijk als in Eindhoven. Het Van Abbe wordt verbouwd, en dus organiseert het museum zijn tentoonstellingen tijdelijk in een voormalige Philips-kantine. Een troostelozer onderkomen is nauwelijks denkbaar. Om er te komen moet je door een verdorde arbeiderswijk in het niemandsland rond het PSV-stadion. De kantine is laag en oud. Niets van de glamour die musea normaal omgeeft.

Maar binnen gloeide de illusie – en dat komt vooral doordat de Vonderweg zo'n niksig, onpretentieus gebouw is. Want in die niksigheid kregen kunstenaars volop de gelegenheid te doen wat ze wilden. Het gebouw stelt geen eisen. En dus kon Aernout Mik er een heel doolhof aanleggen en kon Pierre Huyghe er de wanden verplaatsen, de vloeren verven, plafonds verlagen en een parcours aanleggen waarin zijn kunstwerken naadloos overvloeien met de inrichting. Zijn Interludes is zelfs nauwelijks een tentoonstelling meer. Het is eerder een ervaring, een experience, zoals in een sprookjesbos of een spookhuis.

Bastion

De afgelopen jaren is de beeldende kunst vaak verweten dat ze te veel in zichzelf gekeerd zou zijn geraakt. Kunst was voor veel mensen synoniem met kunst over kunst, en het museum was daarvan het symbool. Het museum was een veilige witte haven, waar de kunstenaar kon doen wat hij wilde. Daar waren kunst en kunstenaar lang bij gebaat, maar de laatste jaren zag je dat er iets begon te veranderen: het museum was steeds minder een vrijplaats, maar werd een bastion dat de kunst afsloot van de echte wereld.

En die echte wereld was veranderd. De toeschouwer die het museum verliet, besefte steeds vaker dat verleiding en illusie niet langer waren voorbehouden aan museum, theater of pretpark. Sterker nog: het scheppen van illusies is een belangrijke economische factor geworden. Illusie is macht. Illusie is geld. Op internet, in film, op televisie en in reclame krijgt de mens constant illusies voorgeschoteld die hem proberen te verlokken. Door de juiste illusie kon Nina Brink de prijs van haar aandelen World Online tot grote hoogte opstuwen. Konden de hoofdrolspelers van Big Brother sterren worden. En wie dat te ver weg vindt, hoeft maar naar de supermarkt om een dagelijkse portie verleiding en suggestie te consumeren. Passeer het klaphekje van je buurtsuper en je wordt bedwelmd door de geur van versgebakken brood. Op de achtergrond verleidt Nancy Sinatra de consument zijn pas te vertragen. De producten lonken, de meest winstgevende op ooghoogte, met eventueel een spotje op de speciale aanbiedingen. Allemaal atmosfeer, want atmosfeer verleidt. En verleiding kan de consument zover brengen dat hij zijn eigen ideeën inlevert en doet wat de atmosferenmaker voor hem heeft uitgedacht.

Vergeleken bij al deze vormen van verleiding was de kunst steeds machtelozer. Kunst kon niet meer tegen de samenleving op; ze had de witte zalen van het museum hard nodig om zich veilig te voelen. Tragischer nog was dat de kunst ook nauwelijks wist te reageren op die veranderende wereld. Kunstenaars trokken dan wel het museum uit, en probeerden werk in de `echte' wereld te maken, maar te vaak bleken dat slappe aftreksels van de werkelijkheid. De kunst, die zichzelf graag ziet als reflectie van de samenleving, had geen antwoord op het feit dat het leven van alledag complexer was geworden dan veel kunst. De kunst dreigde het minvermogende broertje van de visuele samenleving te worden, louter gerespecteerd omdat ze uit zo'n goede, adellijke familie kwam.

Doorbraak

Gelukkig zijn kunstenaars vitaal genoeg om antwoorden te vinden op dit soort dilemma's. De jonge Engelsen, onder leiding van Damien Hirst, reageerden op de verleidingssamenleving door er in mee te gaan, door van hun kunst een spektakel te maken. Andere kunstenaars leveren sinds enkele jaren een subtieler commentaar op de atmosferisering – hun werk laat zich het beste omschrijven als Atmosphere Art. Het meest in het oog springende werk van de afgelopen Biennale van Venetië was bijvoorbeeld Electric Earth van de Amerikaanse kunstenaar Doug Aitken. Voor Electric Earth liet Aitken een enorme, tientallen meters lange ruimte bouwen, waarin zes korte films draaiden. In die films zien we een jongen wakker worden, opstaan en langzaam door de elektriciteit bevangen raken. Hij wordt als het ware geladen door de apparaten in zijn omgeving; van de weeromstuit begint hij zich ook steeds robotachtiger te bewegen. De film springt ondertussen van het ene scherm naar het andere, waardoor de stroom Aitkens publiek door de zalen stuwt. Als toeschouwer kwam je geladen naar buiten.

Een soortgelijke combinatie van vorm en inhoud probeerde Aernout Mik te bereiken bij zijn laatste tentoonstelling in het Van Abbe. Mik maakt vooral films waarin mensen in verwarring hun rol zoeken. Ze dansen in een enorme schuimlaag of lopen verdwaasd door een instortend huis. Die zoektocht wist Mik mooi te verbeelden doordat hij zijn films een plek had gegeven in een zelfgeschapen doolhof, daarmee de verwarring van zijn hoofdrolspelers overdragend op de bezoekers. Ook dit werkte prachtig – de enige zwakte van Miks tentoonstelling was dat het nog te veel afzonderlijke werken bleven, die door het `doolhof' met elkaar werden verbonden.

Wat dat betreft is Pierre Huyghes Interludes een doorbraak, en het is vast niet toevallig dat die opnieuw plaatsvindt in het tijdelijke Van Abbemuseum. Huyghe is de eerste kunstenaar die er in Nederland in slaagt om in het museum de concurrentie met de atmosferisering aan te gaan, en, zeker zo belangrijk, er inhoudelijk commentaar op te leveren.

Dat begint al met de aankleding. Je betreedt Interludes over een dik, koningsblauw tapijt dat naar een schijnbaar lege ruimte leidt. Daar klinkt zachte new-age muziek, op de vloer slingeren wat tijdschriften, op het tapijt breekt de zon door. Maar wacht even – dit is de Vonderweg, in dit gebouw kan geen straal licht naar binnen. Waar komt die zon vandaan? Je kijkt nog eens en ziet dat Huyghe het beeld van licht dat door een raam op een tapijt valt in het tapijt heeft `meegeweven'. Door die simpele ingreep heerst het licht in dit kleine lege zaaltje. Je tentoonstelling openen met een kunstwerk dat uit louter sfeer bestaat, ben je geneigd te denken, je moet maar durven.

Maar het past perfect bij Huyghes werkwijze. Hoe langer je als de toeschouwer door de ruimtes dwaalt, hoe duidelijker het wordt dat Interludes veel overeenkomsten vertoont met een hersenpan. Daarin bestaan ook tientallen emoties en gedachten tegelijk, welke zich naar voren dringt, wordt bepaald door sfeer en omstandigheden. Zo is het ook op Interludes. In de koningsblauwe zaal heerst rust en warmte. In de zaal ernaast kun je je ontspannen – op het plafond, waar zachte witte lampen hangen, is het oude computertennis-spelletje Pong geïnstalleerd.

Maar er is ook pijn, en verwarring, vooral over een begrip als identiteit. Een mooi voorbeeld daarvan is Huyghes filmpje Blanche-Neige, Lucie. Daarin zien we een trotse, oudere vrouw die vertelt hoe ze in de jaren dertig werd gevraagd om voor de Franse versie van de tekenfilm Sneeuwwitje de titelstem te verzorgen. Ze deed het graag, haar stem was een succes, maar langzaam, over de jaren, krijgt ze het gevoel dat ze haar stem is kwijtgeraakt aan het getekende figuurtje. Als Disney haar stem zonder haar toestemming voor een nieuwe versie van Sneeuwwitje gebruikt, spant ze een proces aan tegen het concern – en wint. De verwarring, gecombineerd met het sprookjesachtige onderwerp en het gezicht van de vrouw die met haar vriendelijke ogen en blonde haar zo een goede fee op leeftijd zou kunnen zijn, past perfect in de atmosfeer die Huyghe heeft gecreëerd.

Overval

In die atmosfeer is de toeschouwer ook snel bereid om de tijd te nemen voor The Third Memory, een complex kunstwerk waarvoor je zeker een half uur moet uittrekken. The Third Memory vertelt het verhaal van John Wojtowicz, een oud-marinier die in 1972 een bank beroofde om de sekse-operatie van zijn suïcidale, transseksuele geliefde te kunnen bekostigen. De overval mislukt en loopt uit op een gijzeling, waarbij Wojtowicz' maat wordt doodgeschoten. Zelf wordt hij gepakt en tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld. Drie jaar later wordt de gebeurtenis door Sidney Lumet verfilmd tot de klassieker Dog Day Afternoon, waarvoor hoofdrolspeler Al Pacino bijna een Oscar krijgt.

Dit op zichzelf al absurde gegeven is door Huyghe briljant uitgewerkt. De kunstenaar heeft alle soorten materiaal over de overval verzameld en toont die in twee zalen. In de ene, tegen een bruine wand, zien we kranten- en tijdschriftartikelen over de overval, naast een filmposter van Dog Day Afternoon (`The robbery should have taken 10 minutes, 4 hours later, the bank was like a circus sideshow!'). Er staat ook een televisie waarop een aflevering van The Jeanne Parr Show wordt getoond, een jaren zeventig-kruising tussen Oprah Winfrey en Jerry Springer. Daarin is Liz Eden te gast, de man voor wie Wojtowicz zijn overval pleegde. Hij is nu een zij – een trotse vrouw die zegt nog steeds van haar John te houden. Maar ze zoekt haar `redder' niet meer op, want dat heeft haar psychiater haar afgeraden.

Maar dat is slechts de opmaat voor de film in de zaal ernaast. Die zaal is al een statement op zichzelf. Het is er schemerig, het beton op de vloer is kaal, met kuilen; de zaal loopt uit in een loze, donkere gang – we zijn in de achterbuurten van de geest beland. Huyghes film is een reconstructie van de overval, gespeeld door Wojtowicz zelf, 27 jaar na dato, en doorsneden met scènes uit Dog Day Afternoon. De overvaller is nu een grijze, rondbuikige man. Hij heeft de opdracht gekregen zijn eigen daad na te spelen, maar aan alles zie je dat Al Pacino in zijn ziel is gekropen. Hoe verwarrend dat is, begrijp je pas als hij terloops vertelt dat hij en zijn maat voor hun overval, om in de stemming te komen, naar de Godfather keken – met Al Pacino. Wojtowicz is een gewone man, gevangen in een mythe, een web dat stardom, in de persoon Al Pacino, onbedoeld om hem heen heeft gespannen. Om zich te handhaven weet hij niets anders te doen dan zichzelf de sterrenstatus aan te meten. Het ongeloof schemert nog steeds door op zijn gezicht.

Hoe ingrijpend The Third Memory ook is, op Interludes is het niet meer dan een forse hoek. De donkerste krocht van de geest waarin je eigen geest aan het wankelen wordt gebracht. Maar je kunt er zo weer uit. Dan is de grond weer geruststellend grijs-wit en sta je weer onder het licht van Pong dat van vak naar vak floept. Je kunt weer kiezen, net zoals je in je hoofd je gedachten kunt verzetten. Net zoals je in De Efteling na een bezoek aan de Python kunt kiezen tussen Villa Volta, Fantasialand en suikerspinnen. En dat is ook de kracht van Interludes: Huyghe verdooft je hersenen niet, hij zet ze op scherp. Hij confronteert je met de verwarring van de moderne verleiding. Het kenmerk van de beste kunst.

Witte hokken

Interludes mag dan een bijzondere tentoonstelling zijn, het hoogtepunt van de Atmosphere Art zal het vast niet worden. Op de meetlat van pretparken is Interludes geen Efteling of Disneyland, eerder de Bedriegertjes. Huyghe komt nog te duidelijk voort uit de traditie van het exposeren van afzonderlijke kunstwerken; hij is nog niet, zoals de supermarktsfeerschepper, gewend in `totaalconcepten' te denken. Maar je ziet dat hij en zijn collega's staan te trappelen om hun werkwijze verder uit te werken. Als ze daar tenminste de gelegenheid voor krijgen.

Want tentoonstellingen als die van Aitken, Mik en Huyghe kunnen ontstaan omdat de kunstenaars breken met het traditionele museum. Ze bouwen hun eigen zalen, zoals Aitken in Venetië, of krijgen een oude kantine tot hun beschikking waarin ze in vrijheid kunnen werken. Maar musea houden daar lang niet allemaal rekening mee. Wie de nieuwbouwplannen voor het Stedelijk ziet, of het Van Abbe, merkt dat daar nog steeds wordt uitgegaan van witte hokken, waarin het werk van Aitken, Mik en Huyghe hopeloos dood slaat. De tijden veranderen, de kunst verandert mee. Het wordt tijd dat de musea daar ook achterkomen.

Pierre Huyghe: `Interludes'. Van Abbemuseum entr'acte, Vonderweg 1, Eindhoven. Di t/m zo 11-17u. T/m 6 mei.