Assimileren hoeft niet

`Mijn kunst is bedoeld als verzet tegen de marginalisatie van de allochtonen in Europa', zegt de Surinaamse kunstenaar Gillion Grantsaan.

,,In het werk van Gillion Grantsaan gaat het om zijn eigen identiteit'', zo meldt het Fries Museum in een toelichting bij Grantsaans expositie Genesis die daar nu te zien is. ,,Wat is er met die identiteit gebeurd en wat gebeurt daar nog steeds mee?''

Vanonder een grof gebreide grijze ijsmuts, die hij over zijn dikke bos dreadlocks heeft getrokken, kijkt beeldend kunstenaar Gillion Grantsaan (Paramaribo, 1968) me ontwapenend aan. ,,Het is niet zo dat ik alleen maar bezig ben mijn identiteit te ontrafelen hoor. Mijn werk is wel wat militanter. In deze maatschappij zijn zwarten, en eigenlijk alle immigranten, gemarginaliseerd en daar verzet ik me tegen. Ik maak me kwaad om de toenemende xenofobie in Europa, het nationalisme. Maar het probleem is dat het me niet altijd even goed lukt om mijn boosheid over te brengen. Als ik het gevoel heb dat ik in mijn werk een beschuldigende vinger uitsteek, heel onaardig ben tegenover de Nederlanders, en zelfs beledigend, dan zien ze dat niet, of ze vinden het juist reuze geestig. Misschien vinden Nederlanders het leuk om beledigd te worden, dat kan ook. Maar het verbaast me wel.''

Kort voor de onafhankelijkheid van Suriname verhuisde Gillion Grantsaan in 1974 met zijn ouders van Paramaribo naar Nederland. Hij groeide op in Mijdrecht. Omdat hij reportagefotograaf wilde worden, ging hij naar de Amsterdamse Rietveldacademie. Maar de docenten adviseerden hem om de beeldende-kunstrichting op te gaan. Achteraf bezien vindt hij dat ze daar gelijk in hadden: ,,Als ik mensen in nood zie, is het niet mijn eerste impuls om foto's van ze te maken. Ik haat het ook als ik zelf wordt gefotografeerd. Ik heb nooit met een foto in de krant willen staan en het is puur om strategische redenen dat ik er nu wel in heb toegestemd. Een kunstenaar moet af en toe aan zijn carrière denken.''

Sinds vier jaar woont Grantsaan met zijn Deense vriendin en hun twee zoontjes in Kopenhagen. In Amsterdam was hij gewend om het materiaal voor zijn assemblages, collages en installaties van de straat te halen. Hij vertelt dat het `straatjutten' voortkwam uit geldnood. ,,Maar het was ook inspirerend. Je kijkt anders naar een koelkast op straat dan naar een in de keuken. Op straat spreekt zo'n ding ineens tot de verbeelding omdat het een onbekend verleden heeft en werkloos is geworden. Bij zwarte Amerikaanse kunstenaars is er een duidelijke traditie van junk-art, en dat is geen toeval.''

In Kopenhagen werd het straatjutten een stuk moeilijker: ,,Je ziet daar geen vuil op straat, geen bankstellen of andere troep. Op de binnenplaatsen van de huizenblokken staan grote containers waar al het afval ingaat en daar kun je niet bijkomen.''

De vracht sloophout die hij in zijn tentoonstelling in het Fries Museum verwerkte kreeg hij van een Deense kennis. Van latjes, schroot en planken construeerde Grantsaan een fragiele installatie die begint met een schildpad op een kruk. De poten van de kruk zijn in stukjes gezaagd en vervolgens zo aan mekaar gelijmd dat ze alle kanten op dansen en de bezoeker bijna de weg versperren. De schildpad heeft een lange nek van schijfjes bezemsteel zodat hij met zijn kopje om de hoek van de deur kan kijken. Achter de kruk wijst een pad van schrootjes de weg naar een houten parcours dat als een catwalk door de ruimte slingert. Er lopen plastic speelgoedbeestjes op, die net als het hout in stukjes zijn gezaagd en opnieuw aan elkaar gelijmd: een paardenkop op een varkenslijf, een hanenkop op een giraf.

Grantsaan: ,,Ik noemde de tentoonstelling Genesis, omdat ik een nieuw scheppingsverhaal wilde verzinnen, een nieuw begin. Zowel in de vorm als in het materiaal wilde ik duidelijk maken dat dit zwarte kunst is. Met de dieren die van de ark aflopen, verwijst het naar het oude scheppingsverhaal, maar er is geen God en geen paradijs. De titel van het parcours met de dieren was aanvankelijk Away from the flock: een emigrant verlaat de eigen kudde en komt in een nieuwe samenleving die wil dat hij zich aanpast. Maar als Nederlanders zeggen: je moet integreren, bedoelen ze assimileren en dat hoeft niet. Je kunt van zo'n nieuwe maatschappij nemen wat je bevalt, zonder je eigen wortels te ontkennen. Je moet een collage van je leven maken, de dingen op elkaar plakken. Ik zou bijvoorbeeld mijn kinderen een strenge Surinaamse opvoeding kunnen geven en ze tegelijk naar een Montessorischool sturen.''

Net als het dierenparcours zit ook de schildpad op de kruk vol verborgen betekenissen. Het diertje - Grantsaan zelf en alle andere allochtonen - is veranderd, maar de kruk waarop hij zich bevindt - de maatschappij - blijft ook niet hetzelfde en moet zich aanpassen aan de nieuwkomers. Op mijn vraag of hij denkt dat de kijkers dit allemaal zullen begrijpen, zegt hij: ,,Mijn werk is wel puzzelig. Iets simpel weergeven en toch beeldend blijven, is moeilijk. Met de titels probeer ik het publiek op een spoor te zetten.''

Behalve de sloophout-installatie toont Grantsaan in Leeuwarden ook foto's, collages en tekeningen. In die werken is de betekenis iets minder verhuld. Zo veranderde hij op een collage met de titel Internationaal Monetair Fonds een vooroorlogse karikatuur van een gierige jood in een Sjors en Sjimmie-achtige karikatuur van een zwarte. Bij een foto van twee zwarte vrouwen verving hij de hoofden door kachelpijpen en twee luikjes blijken opengeklapt een negermond te vormen. In Asielzoekers aan de boomgrens verbeeldde hij de manier waarop Europeanen asielzoekers zien: als kleurige, abstracte wezens die maar beter op een afstand kunnen blijven. Alleen in de foto-collage If I was a slave I would klinkt iets door van haat tegen de blanken. De foto toont de kerker in Ghana waar vroeger de slaven werden samengedreven voor ze op transport gingen. Er is een kleine afbeelding van een moderne zitbank ingeplakt. De zin `If I was a slave I would' is met viltstift aangevuld met allerlei kreten zoals `leave', maar ook: `give 'em aids'.

Grantsaan: ,,Nee, je kunt dat geen haat noemen. Haat is een ongecontroleerde emotie en ik ben niet haatdragend. De moderne bank op de foto hoort bij mij, want ik leef nu en ik ben geen slaaf. Als je op die bank gaat zitten en bedenkt wat die slaven konden doen, dan denk je aan vluchten, maar ook aan wraak. Er zijn destijds wel blanken door slaven vermoord, maar slaven waren ook mensen en dus gebeurde dat moorden niet aan de lopende band.''

Hij vertelt dat hij niet weet waar zijn voorouders in Afrika vandaan kwamen en wanneer ze naar Suriname werden gebracht. ,,Van mijn vaders kant is het nog een beetje te traceren door de taal die op de plantages werd gesproken. Bij mijn moeder is alles zo gemixt - haar vader kwam uit Frans-Guyana en was half Indiaas - dat ik mijn afkomst steeds onbelangrijker ging vinden naarmate ik er meer over te weten kwam. Veel Surinamers denken dat ze oorspronkelijk uit Ghana komen. Dat is een mythe. De slaven werden in Ghana samengebracht, maar ze kwamen van overal in West-Afrika.''

Hij haalt zijn schouders op als ik vraag wat hij vindt van de plannen voor een slavernijmonument. ,,Ik zou liever willen dat er in het onderwijs meer aandacht werd besteed aan de geschiedenis van de slavernij en van Suriname, dus aan onze geschiedenis. Maar dat is een vrome wens, dus dan in godsnaam maar zo'n monument.''

Mondriaan

Gillion Grantsaan heeft `een broertje dood' aan de abstracte kunst, die hij afdoet als `wandbekleding, pyjamastiksels'. Toch bewondert hij Piet Mondriaan: ,,Ik vind het fantastisch hoe hij zich bij het zoeken naar een nieuwe vorm liet leiden door een sociaal-maatschappelijk idee. Hij streefde naar een universele harmonie en zo kwam hij tot een nieuwe schilderkunst. Dat spreekt mij aan.''

Vanaf het moment dat hij besloot om beeldend kunstenaar te worden, wilde Grantsaan, zoals hij zegt, `politiek geëngageerde kunst maken, zonder te verzanden in pamflettisme'. Kort nadat hij in 1996 van de Amsterdamse Rietveldacademie kwam, trok hij de aandacht met het werk Landgenoten, dat aan duidelijkheid weinig te wensen overliet. Hij tekende de bekende Beatrix-postzegel van Peter Struycken na en verving haar kapsel door een uitbundige afro-look. Onder de nieuwe beeltenis van de koningin schreef hij, in de typografie van de van Dale-woordenboeken: vanDalen.

Grantsaan: ,,Ik noemde dit werk Landgenoten omdat de Surinamers daar ook toe behoorden en voor de Surinamers in Nederland geldt dat nog steeds. In Suriname leefden wij onder de terreur van de Nederlanders. Als kolonie was Suriname een ramp, er moest voortdurend geld ingepompt terwijl Nederland er juist aan had willen verdienen. De Nederlanders hebben nooit een band gekregen met Suriname, zoals vroeger met Indië. Het land werd veroverd en geheel vernederlandst. De meeste Surinamers spraken het Sranantongo, maar ze werden gedwongen Nederlands te leren. Alle schoolboeken en wetboeken zijn er nog steeds in het Nederlands. Uit Nederlands perspectief hebben de Surinamers er na de onafhankelijkheid een rotzooitje van gemaakt. Maar dat neemt niet weg dat Suriname, met zijn bauxiet en plantages, bedoeld was als een wingewest. Met Landgenoten wilde ik de koningin aanspreken op haar verantwoordelijkheid. Zij is voor ons het symbool voor alle wandaden uit het verleden. Beseft ze wel wat die term `Landgenoten' allemaal inhoudt?''

Het provocerende Landgenoten weerhield koningin Beatrix er niet van om Gillion Grantsaan, als een van de weinige jonge kunstenaars, op te nemen in haar tentoonstelling, afgelopen winter in het Stedelijk Museum. Ze koos van hem, uit de collectie van het Stedelijk, het werk Godenzonen (1997). Grantsaan gebruikte hiervoor een foto van twee aandoenlijke, zwarte jongetjes met lendendoekjes om, die in hun Afrikaanse dorp een dansje opvoeren voor de toeristen. Op het naakte bovenlijfje van een van de jongetjes timmerde hij met kopspijkers een rood-wit Ajax-shirt, de andere kreeg een harnasje aan. Grantsaan wilde met Godenzonen verbeelden dat zwarten in een blanke maatschappij wel mogen uitblinken in sport, maar dat het daarmee op moet houden: op andere terreinen worden ze minder aangemoedigd. Het werk was geïnspireerd door een uitspraak van de zwarte Amerikaanse kunstenaar David Hammons: `Je bent slechts een pion in a white men's game'.

Grantsaan: ,,Waarschijnlijk heeft de koningin dit werk uitgekozen omdat ze er ook een Surinamer bij wilde hebben, dus ik hoef er niet trots op te zijn. Het is wel positief dat veel mensen het nu gezien hebben. En voor het Surinaams Weekblad was het een aanleiding om me te interviewen. Dat blad wordt alleen maar door Surinamers gelezen, dus dat doel is bereikt.''

Strategie

Tijdens ons gesprek, in een café in de Amsterdamse Pijp, valt meermalen het woord `strategie'. Een kunstwerk aan het Stedelijk Museum verkopen is volgens Grantsaan `strategisch goed', evenals een interview met deze krant, al wordt die dan vooral door `het blanke establishment' gelezen. In principe wil hij kunst maken voor een zwart en meer in het algemeen een allochtoon publiek. Maar dat publiek gaat niet naar musea en niet naar zijn exposities. ,,Behalve als ik een solotentoonstelling in de erezaal van het Stedelijk Museum zou hebben, dan zouden de Surinamers wel komen, want dan had ik het in hun ogen gemaakt in het blanke bolwerk. Dan zou ik een zwarte held zijn.'' Of hij dat doel wil bereiken, weet hij niet zo zeker: ,,In elk geval ga ik me er niet het bloed voor in mijn schoenen lopen.'' Strategisch zou het `verstandig zijn' als hij een galerie had waar hij zijn werk kon exposeren en verkopen. Maar tot nu toe wilde hij dat niet, omdat hij dan geen enkel zicht zou hebben op die verkoop. Hij voelt zich solidair met de immigranten in Europa en daarom weigert hij zijn werk lukraak te verkopen aan elke blanke die er belangstelling voor toont. ,,Ik wil niet dat mijn werk terechtkomt bij een Nederlander die zegt: `De Surinamers zijn oké, maar die Turken en Marokkanen deugen niet.' Ik wil alleen aan fatsoenlijke, politiek-correcte mensen verkopen. Behalve als iemand een gigantisch bedrag wil betalen, zoveel dat mijn werk er beroemd door wordt, dan mag zelfs een politiek-incorrecte Nederlander het meenemen. Want zoiets heeft een positieve uitwerking op andere Surinamers, net als grote voetballers dat hebben. Nou ja, aan een echte racist zou ik het nooit van de hand doen, er zijn grenzen.''

Even later zegt hij aarzelend dat hij er misschien toch niet onderuit zal kunnen om zich bij een galerie aan te sluiten. Omdat hij nu geen werk verkoopt,heeft hij een baantje in een kinderdagverblijf. En zijn vriendin werkt als arts in een ziekenhuis, dat helpt ook. ,,Maar misschien zal ik mijn hoofd moeten buigen en naar een galerie toestappen. Ik wil tenslotte wel kunstenaar blijven. Ik heb al verschillende aanzoeken gehad. Ik heb niet te klagen over een gebrek aan aandacht. Ik dein mee op de Bill Cosby-golf: sinds Cosby zijn zwarten populair in de Nederlandse media. Een beetje galerie vertegenwoordigt ook een zwarte kunstenaar, dat staat goed. Maar als je naar landen als Engeland kijkt, dan blijft het bij de token few: de meeste galeries vinden één zwarte wel genoeg.''

De laatste twee jaar verdiepte Grantsaan zich in `de werkelijkheid van minderheden': hij las de feministische theorieën, maar ook Isaiah Berlin, Hegel (`Daar kwam ik niet doorheen') en Herder. ,,Ik wilde voor mezelf een idee formuleren hoe immigranten in deze maatschappij een plaats kunnen vinden als kunstenaar zonder zichzelf te verloochenen.'' Toen hij net van de academie was en nog niet zo nadacht over zijn positie als zwarte kunstenaar, verkocht hij een tekening aan een blanke. Hij vertelt er nu bijna schuldbewust over. ,,Ik dacht dat verkopen onvermijdelijk was.''

Hij laat een dia zien van een van zijn vroege werken: een tekening van een negerkop met het pandabeertje van het Wereldnatuurfonds op zijn schedel. ,,Daarmee wilde ik uitdrukken dat je als zwarte soms gaat denken dat je een bedreigde diersoort bent, een speciale species die hulp nodig heeft. Je gaat andere mensen de schuld geven van de situatie waarin je verkeert en je gaat je een slachtoffer voelen. Maar dan ben je verkeerd bezig. Het wordt in de hand gewerkt door het paternalisme van de autochtonen, dat is het ergste wat er is, nog erger dan discriminatie. Maar het leidt nergens toe, dat slachtoffergevoel, ik ben er tegen.''

Aan het eind van ons gesprek vraagt hij wat ik van zijn werk Hooggeëerd publiek vond, een assemblage die nu in het Fries Museum hangt. Daarin combineerde hij een foto van een groep keurig poserende Surinamers met een foto van een blanke turnster die een adembenemende toer op de brug uitvoert. De foto's zijn zo voor elkaar gemonteerd dat het groepje zwarten naar de turnster lijkt te kijken, haar publiek is geworden. Grantsaan: ,,Dat kijken, de manier waarop blanken en zwarten, immigranten en autochtonen, elkaar opnemen, houdt me erg bezig. Ik kan in Nederland geen straat door lopen of ik zie de mensen denken: `Die is aan het zakkenrollen.' In Kopenhagen is een kleine zwarte gemeenschap met veel muzikanten, dus als je rastahaar hebt, ben je daar een muzikant. Maar de Deense douane ziet me als een crimineel: ik wordt altijd aangehouden. Mijn lengte wordt opgemeten, er komen honden in de auto, mijn handtekening wordt gecheckt - het duurt eindeloos. Nederland zit in het Schengen-akkoord, dus bij de Nederlandse douane gaat het achterbakser. Daar komen ze na de grens met een motor achter me aan en word ik gedwongen te stoppen. Als je zwart bent, ben je in principe verdacht. Dat geldt voor heel Europa. Maar aan de andere kant kijken zwarten en andere allochtonen ook weer met een vreemde blik naar de Europeanen. Het is alsof we een doorlopende voorstelling voor elkaar opvoeren. Daar gaat dat werk, Hooggeëerd publiek, over.''

Gillion Grantsaan: Genesis. Fries Museum, Leeuwarden, t/m 8 apr. Di t/m zo 11-17 u.