Al bij Nieuwpoort konden ze er helemaal niets van

Journalisten in oorlogsgebied hebben het moeilijk: de waarheid is vluchtig en moeilijk vast te stellen. Maar niet voor Arnold Karskens. Hij wilde een geschiedenis schrijven, maar verzandt in een litanie over angsthazen en meelopers.

Al twintig jaar lang ziet Arnold Karskens, de enige Nederlandse voltijds-oorlogsverslaggever, met lede ogen toe hoe de erkenning van zijn metier wordt ondermijnd door beunhazen, bluffers en bangeriken. Ze zitten maar in hotellobby's, laten zich van alles op de mouw spelden door militairen, en lijken het verschil tussen feiten en geruchten niet eens te wíllen weten. Vijf jaar terug besloot de ervaringsdeskundige daarom de regels van de oorlogsverslaggeving te boek te stellen. En, zal hij hebben gedacht, als ik toch bezig ben, waarom zou ik dan niet in navolging van Philip Knightley's The First Casualty over het Engelse taalgebied, de complete geschiedenis van de Nederlandse oorlogsverslaggeving behandelen? Zo'n historische verhandeling bestond nog niet. En zeker niet zo'n uitgebreide.

Het resultaat is, vooral voor journalisten natuurlijk, interessant – ook voor niet-oorlogsverslaggevers. Het boek bestrijkt vele verschillende casus, van de Tachtigjarige Oorlog, Napoleon, de veldtocht tegen de Belgen, de Boerenoorlog, de Eerste en Tweede Wereldoorlogen, maar ook de Golfoorlog en de recente bombardementen op Joegoslavië. Karskens, die tegenwoordig vooral werkt voor het weekblad Nieuwe Revu, ontleedt vaardig de journalistieke variabelen in ieder conflict: de militairen die de waarheid bijbuigen of gewoon ronduit liegen, de logistieke moeilijkheden om de juiste informatie in de chaos bijeen te sprokkelen en de onmogelijkheid om verhalen door te seinen. De krantenlezer kan er ook nog wat van leren.

Andermans gebreken

Gruwelverhalen bijvoorbeeld, blijken altijd en overal op te duiken en schaamteloos te worden rondgepompt. Het onjuiste verhaal over Iraakse soldaten die in een ziekenhuis in Koeweit in 1990 couveuses plus menselijke inhoud hadden geplunderd, heeft antecedenten in ieder conflict. Zo zong in 1914 het gerucht rond dat Belgische meisjes, hierdoor aangezet door pastoors, Duitse soldaten de ogen uitstaken. De honderdduizenden dode Albaniërs van wie volgens NAVO-bronnen tijdens het Kosovo-conflict sprake zou zijn geweest, zijn er ook een sprekend voorbeeld van. Maar Karskens heeft vooral oog voor de zwaktes van de gemiddelde oorlogsverslaggevers. De titel Pleisters op de ogen verwijst indirect naar het moedwillige onvermogen van oorlogsverslaggevers om de waarheid onder ogen te zien. De frase is afkomstig van een verslaggever die aldus in de Eerste Wereldoorlog de militaire communiqués omschreef.

Dat haarscherpe oog voor andermans gebreken is tevens de zwakte van het boek. Na het lezen van een paar hoofdstukken gaat de negatieve, haast verbitterde toon over knoeiende collega's tegenstaan. Karskens vereffent rekeningen waar hij maar kan, en zijn geschiedenisboek wordt zo werkelijk een canon van kritiek. Verslaggevers zijn onveranderlijk `schrijvende lakeien' of `kritiekloze lijfeigenen', die `heulen met de autoriteiten'. En dat geldt niet alleen voor het gros van de journalisten die Karskens de afgelopen twintig jaar in oorlogsgebied tegenkwam. De tirade keert zich tegen vrijwel alle courantiers, schrijvers, correspondenten en andere lieden die de voorbije vijf eeuwen krijgshandelingen versloegen.

Soms komt een veroordeling bovendien ronduit overdreven over. De constatering dat verslaggevers in 1600 niet helemaal eerlijk de gebeurtenissen bij de Slag om Nieuwpoort weergaven (`Van enig journalistiek niveau is geen sprake') is toch eerder potsierlijk in zijn gebrek aan historisch besef dan een goede reden om vierhonderd jaar later een verontwaardigde toon aan te slaan. Je kunt ook Dzjenghis Khan met terugwerkende kracht verwijten dat hij de Conventie van Genève aan zijn laars lapte – de schoft.

De auteur vindt, even categorisch, elke vorm van censuur verwerpelijk. Ook daar valt wat op af te dingen. Tijdens de Falklandoorlog in 1982 berichtten Britse verslaggevers dat de Argentijnse bommen niet ontploften. Resultaat: de Argentijnen stelden de ontstekers beter af, meer Britse marineschepen gingen naar de kelder en de meevarende verslaggevers werd de mond gesnoerd. Niet leuk voor de pers. Maar onterecht?

Examen

Soms lijkt Karskens iemand te hebben gevonden die voor het Karskens-examen slaagt. Alfred van Sprang bijvoorbeeld, trekt zich in `Korea' begin jaren vijftig nu eens niets aan van de strenge militaire censuur, omdat hij sinds een verblijf in een Jappenkamp allergisch is voor autoritair optreden. Maar eenmaal aangekomen bij de Hongaarse opstand in 1956 blijkt Van Sprang iemand die, betrapt door de verontwaardigde journalist Henk Hofland, feiten uit zijn duim zuigt. Is Hofland dan een lichtend voorbeeld? Nee, die krijgt een paar pagina's verderop weer een aanmerking omdat hij zich te veel door de bloedige gebeurtenissen laat meeslepen. De oorlog in Vietnam levert sporadisch doortastendheid van Nederlandse journalisten op. Maar bij de intocht van de Vietcong in Saigon in 1975 is geen Nederlandse journalist te bekennen, op eentje na, maar die was in dienst van een Amerikaans fotobureau.

Karskens besteedt ook hoofdstukken aan journalisten die werden gedood bij de uitoefening van hun beroep, zoals de vier Ikon-journalisten die in 1982 in El Salvador in een hinderlaag van regeringsmilitairen liepen. En, meer recent, hij onderzocht de omstandigheden rond de moord op Sander Thoenes op Oost-Timor in 1999. Zijn conclusie: een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

De snelheid waarmee Nederlandse journalisten na de dood van Thoenes uit Oost-Timor vertrokken, is Karskens een doorn in het oog. Is dat terecht? De precieze omstandigheden rond Thoenes' dood waren op dat moment nog onbekend. Misschien stonden álle journalisten op een doellijst van de milities of het Indonesische leger. Stel, je bent in een ver buitenland aan het werk om verslag te doen van een aardbeving en de muren van het hotel beginnen te schudden. Dan hol je naar buiten. Dat is niet dom, en maakt iemand ook niet tot een slecht journalist.

Karskens' gram culmineert in de twijfel aan het arbeidsethos van de Belgische journaliste Els de Temmerman, die een prijs in de wacht sleepte met haar verslaggeving over de burgeroorlog in Rwanda in 1994. `Ze kiest partij', meent Karskens, en manipuleerde haar berichtgeving door te suggereren dat ze ooggetuige was geweest van voorvallen die ze niet kan hebben meegemaakt. Dat De Temmerman, die de beschuldigingen van Karskens eerder heeft ontkend, iets uit te leggen heeft, is na lezing van dit boek wel duidelijk. Maar gaandeweg vraag je je toch af waaróm Karskens zo woedend is over al die `gekleurde', `incomplete' en `onjuiste' knoeierij. A la guerre comme à la guerre, zou je zeggen, en dat geldt ook voor de geassocieerde verslaggeving.

Misschien komt het door het buitengewone gewicht dat Karskens zijn vak toekent. `Oorlogsverslaggeving' stelt hij onomwonden, is `de belangrijkste tak van de journalistiek'. Dat is zijn `stelligste overtuiging'. Tegelijkertijd is het een boude bewering. Uitleg ontbreekt. Is oorlog dan misschien in zijn ogen ook het belangrijkste maatschappelijke verschijnsel? En stel dat dat zo is, dan nog kun je je afvragen of de oorlogsverslaggever aan het front, met de kruitdamp in de neus, of tussen de gewonden, de journalistieke werkelijkheid met een hoofdletter `w' wel kàn vinden. De militairen zélf hebben al de grootst mogelijke moeite om het overzicht te behouden. In iedere militaire academie is situational awareness een belangrijk thema. Zou een verslaggever, zonder alles wat de militairen aan communicatiemiddelen ter beschikking staat, zich een goed beeld kunnen vormen?

Een parallel ter verduidelijking. Spionage en journalistiek worden vaak vergeleken. Maar de belangrijkste spionnen uit de geschiedenis troffen hun scoops vooral aan in het diplomatieke borrelcircuit, op hoofdkwartieren, in de defensie-industrie, of in bed – niet in het krijgsgewoel. Eerlijkheidshalve moet hierbij worden opgemerkt dat de rol van de media sterk aan belang heeft gewonnen. Gruwelbeelden die live over de wereld gaan, zijn tegenwoordig net zulke belangrijke munitie als granaten en lasergeleide bommen.

Oorlogsverslaggeving is een spannend vak en niet geschikt voor mensen met weke knieën. Karskens is geen bangerik, getuige zijn wedervaren in allerlei grote en kleine, akelige conflicten en de mooie stukken die daaruit voortkwamen. De ideale oorlogsverslaggever checkt alle gegevens driedubbel, is sceptisch jegens belanghebbenden en laat zich niet intimideren. Dat lijkt wel advies voor gewóne, `onbelangrijke' journalisten. De conclusie van het boek kan dan zijn: oorlogsverslaggeving is de voortzetting van de gewone journalistiek, met precies dezelfde middelen.

Arnold Karskens: Pleisters op de ogen. De Nederlandse oorlogsverslaggeving van Heiligerlee tot Kosovo. Meulenhoff, 376 blz. ƒ45,-