Tweeënvijftig jaar dromen van thuis

In Palestina waren de sinaasappelen sappiger en de luchten blauwer. Zelfs kinderen dromen van terugkeer naar verdwenen dorpen.

MIRYAM ABDEL HADI HEEFT 'm nog altijd, de loodzware radio die haar vader meenam toen in 1948 het gezin van elf halsoverkop hun huis in Acra in Noord-Israël moest ontvluchten. Na de stichting van de staat Israël was een oorlog uitgebroken met de Arabische buurlanden, en overal circuleerden geruchten over slachtpartijen van niet-joden door Israëlische soldaten. ,,We dachten dat het voor een paar dagen was'', vertelt Abdel Hadi in haar woning in het vluchtelingenkamp Sabra en Shatila in de Libanese hoofdstad Beiroet. ,,Dus namen we die radio mee, en een accu, om te luisteren wanneer we terug konden. Maar de joden lieten ons niet meer terug.''

En zo komt het dat Miryam Abdel Hadi, inmiddels zestig jaar oud en zelf moeder van acht kinderen, nog steeds wacht op terugkeer naar Acra. Of het er ooit van komt, hetzij voor haarzelf, hetzij voor haar kinderen? ,,Allah weet meer'', zegt ze met een dramatisch armgebaar, terwijl haar 27-jarige zoon bijna schouderophalend zegt: ,,Israël zal geen vrede kennen zonder erkenning van het Recht op Terugkeer.''

Miryam Abdel Hadi deelde in 1948 haar lot met naar schatting driehonderdduizend andere Palestijnse moslims en christenen, die allen na de stichting van de staat Israël uit hun huizen zijn gevlucht of verjaagd. Vierhonderd van hun dorpen werden met de grond gelijk gemaakt, de rest werd geconfisqueerd voor joodse emigranten. Het vluchtelingenprobleem van de Palestijnen was geboren.

Tweeënvijftig jaar later bestaat het probleem nog steeds en is het verder gecompliceerd door de fenomenale bevolkingsgroei onder de Palestijnse vluchtelingen: inmiddels zijn ze met zo'n vier miljoen. Israël weigert pertinent hen terug te nemen, omdat een toevloed van zoveel moslims en christenen het joodse karakter van de staat zou ondergraven, en omdat ze een veiligheidsrisico zouden vormen. Meteen in 1948 namen de Verenigde Naties een resolutie aan die Israël verplichtte tot terugname van de Palestijnse vluchtelingen en compensatie voor hun eigendommen. Maar de resolutie is nooit uitgevoerd en Israël staat vooralsnog internationaal sterk genoeg om dat zo te houden. Bij de laatste ronde van de mislukte vredesonderhandelingen tussen Israël en de Palestijnse leider Arafat was het vluchtelingenvraagstuk het belangrijkste struikelblok.

De uitzichtloze positie van de Palestijnse vluchtelingen is voelbaar met iedere stap door het vluchtelingenkamp Sabra en Shatila van Miryam Abdel Hadi. Oude mannen zitten met de zware loden sleutel in de hand die tot 1948 toegang gaf tot hun huis. Anderen verloren zelfs dat bezit bij de vele bombardementen en verwoestingen door het Israëlische leger of de Libanese milities tijdens de burgeroorlog. ,,De sleutel tot mijn huis in Palestina zit in mijn hart'', zegt de buurman van Miryam Abdel Hadi, ook uit Acra. Zoals zoveel vluchtelingen `die het hebben meegemaakt' kan ook de buurman, van beroep kruidenier binnen het kamp, eindeloos hardop dagdromen over Filastin (het Arabische woord voor Palestina), waar de sinaasappelen sappiger waren, de olijven smaakvoller en de luchten blauwer.

De nieuwste generatie Palestijnse vluchtelingen kent hun vaderland alleen nog uit deze verhalen van hun grootouders. Maar vraag kleine kinderen die tussen de betonnen bouwvallen spelen waar ze vandaan komen, en ze zeggen niet ,,Sabra en Shatila'' maar ,,Acra'', ,,Haifa'' of ,,Jaffa''. En hetzelfde antwoord krijg je in Gaza, waar de meesten uit de Israëlische stad Ashqelon en omstreken komen, of in Jordanië, waar veel vluchtelingen uit Zuidoost-Israël zitten, of in Syrië, waar ze uit Noordwest-Israël komen. Veel Palestijnse jongens dragen namen als `Nasr', Arabisch voor `Overwinning', veel meisjes heten `Awda', Arabisch voor `terugkeer'.

Wat de vluchtelingen nodig hebben, zeggen Westerse diplomaten en sommige Arabische intellectuelen en activisten, is een Palestijnse Gandhi; iemand die met een booschap van geweldloosheid en tolerantie de internationale gemeenschap ervan kan overtuigen dat de Palestijnen recht hebben op terugkeer. Want duidelijk is dat de vluchtelingen weinig hebben te verwachten van de dictator Arafat, die ze nooit hebben gekozen en voor wie het belang van de vluchtelingen volstrekt ondergeschikt is aan zijn eigen politieke macht.

Nog minder hebben ze aan types als Ahmed Yassin van de moslimfundamentalistische terreurbeweging Hamas, wiens radicalisme enkel een vergelijkbaar joods fundamentalisme in de hand werkt.

,,Militair zullen de Palestijnen het altijd afleggen tegen Israël'', zegt een Westerse diplomaat met lange ervaring in de Arabische wereld. ,,Hun enige troef is een morele: waarom mochten de etnische Albanezen in Kosovo wel terug naar hun huizen, en voerde de NAVO daarvoor zelfs een oorlog tegen Servië, en de Palestijnen niet?''

Toch is iedereen het erover eens dat de kans op een Palestijnse Gandhi uiterst gering is. De stemming onder de Palestijnen is er eerder een van haat, wraak en radicalisering, dan van vreedzaam protest en verzoening. En mocht een type à la Gandhi een brede aanhang verwerven, dan zou deze direct de kop in worden gedrukt door de dictators Arafat in de Palestijnse gebieden, Abdallah in Jordanië en Bashar in Syrië, voor wie dit soort massabewegingen een politieke bedreiging vormt. Mochten Israël en Arafat uiteindelijk toch een akkoord sluiten, dan is het hoogst haalbare voor de Palestijnen dat Israël een symbolisch Recht op Terugkeer aanvaardt, en er vervolgens maximaal tienduizend terugneemt. De rest moet naar een toekomstige Palestijnse staat, of worden gehuisvest in de landen waar ze de afgelopen halve eeuw hebben gedroomd van terugkeer naar dorpen die niet meer bestaan.