Twee seconden afstand

Langs de snelweg zijn we maandenlang door Churchill, Kennedy en Gandhi met V-tekens aangemoedigd twee seconden afstand te houden. De bordencampagne is voorbij, maar in tv-spotjes en op een website (www.campagnes.nl) gaat de propaganda door. Het idee moet achter een bureau verzonnen zijn – een bureau bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Hoe moet een automobilist bepalen of hij twee seconden achter iemand rijdt? Stopwatch starten wanneer de auto voor hem een paaltje passeert, stilzetten als hij zelf het paaltje bereikt. Meting bestuderen. Nee, het is nog maar anderhalve seconde. Zoiets?

En hoe redelijk is de norm van twee seconden? Strikt genomen veel te krap. Bij een snelheid van 120 km per uur legt een auto in twee seconden 67 meter af. Dat moet dan dus de onderlinge afstand zijn. De meeste mensen hebben een reactietijd van 0,2 seconde; in die tijd is een auto met 120 km per uur bijna zeven meter verder. Dan moet het remmen nog beginnen. Bij de wettelijke voorgeschreven minimale remvertraging van 5,2 m/s² wordt de remweg 110 meter!

Maar 67 meter is ook veel te ruim. Wie zoveel ruimte openlaat, zal snel merken dat er iemand invoegt, moet dus snelheid minderen om afstand te creëren, waarna er weer iemand invoegt, en rijdt dus structureel langzamer dan het overige verkeer, zonder ooit zijn doel te bereiken.

Het doel van het ministerie is natuurlijk dat iederéén deze afstand in acht neemt. Hoeveel auto's kan een weg dan verwerken? Elke twee seconden een auto is 30 auto's per minuut. Zo kan een rijstrook 60x30=1.800 auto's per uur verwerken, en een snelweg van drie rijstroken 5.400.

Op drukke wegen zoals de A2 Utrecht-Amsterdam is het verkeer in de spits intenser dan dit maximum, bijna 5.800 auto's in een uur (cijfers ministerie V&W). Hoe kan dat? Als de bestuurders kiezen voor een kleinere afstand dan 67 meter, kunnen ze gewoon 120 blijven rijden. Natuurlijk kan dit niet ad infinitum, maar wie wel eens autorijdt weet dat het in de praktijk vrijwel altijd goed gaat. Minimaal 67 meter afstand tussen elke twee auto's komt zelden voor; het moet tamelijk stil zijn, wil dat kunnen.

Wat gebeurt er als bij drukte de tweesecondenregel in acht wordt genomen? De regel van V&W geeft een absoluut maximum voor de capaciteit van de weg: het aantal van 1.800 auto's per uur is onafhankelijk van de snelheid: altijd twee auto's per seconde. Bestuurders kunnen onder dit voorschrift de onderlinge afstand alleen verkleinen als ze de snelheid evenredig verlagen. Maar bij kleinere afstanden moeten we rekening houden met de eigen lengte van een auto. De tweesecondenregel geldt immers voor de ruimte tussen de auto's. Bij 36 km per uur betekent twee seconden een tussenruimte van 20 meter. Als auto's vijf meter lang zijn, betekent dat, dat pas tweeënhalve seconde na de voorbumper van de ene auto de voorbumper van de volgende in beeld komt. De capaciteit van de weg vermindert dan met 20 procent: nog maar 1.440 auto's per uur per rijstrook.

Met andere woorden: als het advies van Churchill, Kennedy en Gandhi wordt gerespecteerd, neemt bij drukte de capaciteit van een snelweg om verkeer te verwerken (in auto's per minuut) alleen maar af. Het aantal auto's dat zich op de weg bevindt (in aantallen per kilometer) neemt toe. De weg wordt een soort tijdelijke bergplaats voor automobielen.

Maar als we de tweesecondenregel negeren gebeurt het lang zo vlug niet. Op de A2 staat in de spits zeker een file. Zou die 36 km per uur rijden, dan is de capaciteit volgens de tweesecondenregel maximaal slechts 3 x 1.440 = 4.320 auto's per uur. In de praktijk passeren er 5.800 auto's. 35 procent extra! Dat is alleen mogelijk omdat mensen aanzienlijk minder dan twee seconden afstand houden.

Doordat de weg meer auto's verwerkt, staat een eventuele file er korter, en over minder strekkende kilometers, dan wanneer V&W zijn zin zou krijgen. Kennedy, Churchill en Gandhi zijn dood. Mochten de borden langs de weg terugkeren, wat het ministerie niet uitsluit, dan zie ik daar graag de duimen van Nina Brink.