Regeringsoppositie

De toon van het hoofdredactioneel commentaar van 12 maart (`Regeringsoppositie) verraadt een sterk monistische inslag. D66 is regeringspartij en dus moet de fractievoorzitter van die partij in de Kamer zich onthouden van kritische noten over de stand van het onderwijs in Nederland. Misschien dat de werkelijkheid ingewikkelder is.

In de eerste plaats ontslaat de coalitieverantwoordelijkheid mij niet van de verplichting kritisch te zijn als daartoe aanleiding bestaat. In de tweede plaats is mede door D66 in 1998 in het regeerakkoord voorzien in een – naar de toen geldende economische omstandigheden – maximale inspanning om te investeren in het onderwijs. D66 stond ook aan de basis van het streven om de klassen op basisscholen te verkleinen. Al deze inspanningen ten spijt is de schraalheid van het Nederlandse onderwijs nog steeds schrikbarend, vooral door het zichtbare tekort aan leraren en de hoge werkdruk. Om dat tekort niet verder te laten oplopen en de mensen in het onderwijs een reëel perspectief te geven op verbetering van hun arbeidsomstandigheden, is nu een overtuigende stap nodig: meer vrijheid, minder Zoetermeer en meer middelen. De economische situatie maakt dat mogelijk. Het is dan ook logisch dat ik het door mij ondersteunde kabinet oproep die kans nu aan te grijpen.

D66 is verantwoordelijk voor het regeerakkoord, zeker, maar als er meer kan, dan moet ook meer gebeuren. Visie met daden, daar kan NRC Handelsblad toch geen bezwaar tegen hebben.