Een vorstelijk salaris en dan lekker rentenieren

De vluchtelingenorganisatie UNHCR wilde maar drie jaar bestaan. Het zijn er al ruim vijftig. En er is altijd gedoe om geld.

EIGENLIJK HAD UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, allang ter ziele moeten zijn. Toen de organisatie in december 1950 op poten werd gezet, waren de lidstaten van de VN vast van plan die na drie jaar weer op te doeken omdat alle vluchtelingenproblemen dan wel zouden zijn opgelost.

Met gemengde gevoelens vierde UNHCR dan ook afgelopen december, vlak voor het aantreden van oud-premier Lubbers als nieuwe Hoge Commissaris, zijn 50-jarig bestaan. Een oplossing voor het vluchtelingenprobleem lag nog altijd niet in het verschiet. Op dat moment waren er ruim twintig miljoen mensen om wie UNHCR zich bekommerde.

Vroeg of laat (volgens veel critici vaak te laat) duiken bij elke grote vluchtelingencrisis medewerkers van UNHCR op in hun machtige Landrovers met de naam van de VN-organisatie er prominent op geschilderd. Ze helpen kampen opzetten en fungeren zoals een barmhartige Samaritaan op wereldschaal.

Voor voedsel en medische hulp hoeft UNHCR overigens niet zelf te zorgen, dat doen andere gespecialiseerde VN-organisaties, het Internationale Rode Kruis en andere onafhankelijke hulpinstanties. Wel is UNHCR verantwoordelijk voor de coördinatie van de hulp. Zo wikkelde UNHCR vooral in de jaren tachtig en negentig reusachtige operaties af. Eerst ontvluchtten miljoenen Afghanen hun land, terwijl later honderdduizenden Mozambikanen, Koerden, Rwandezen, Bosniërs, Kosovaren en meer recent ook inwoners van Sierra Leone de wijk namen naar elders. Al deze vluchtelingen kregen, voor langere of kortere tijd, te maken met UNHCR.

,,Ze laten natuurlijk wel eens een steek vallen, maar het zijn wel mensen die weten hoe ze zoiets vanuit het niets moeten aanpakken', zegt een voormalige Nederlandse medewerker van UNHCR. ,,Vergeet niet dat de overheid in die crisisgebieden vaak non-existent is en totaal geen eigen middelen heeft.'

Overigens houdt UNHCR zich uitsluitend bezig met mensen die hun eigen land verlaten. Daardoor valt een zeer aanzienlijke groep, namelijk de mensen die in eigen land op drift raken, buiten de boot. De schattingen over die groep lopen uiteen van vijf miljoen mensen (UNHCR) tot 25 miljoen (andere VN-deskundigen). Dat laatste is twee keer zoveel als alle `reguliere' vluchtelingen bij elkaar. Het aantal van de zogeheten internally displaced persons groeit nog snel. Binnen de VN gaan intussen stemmen op het bereik van UNHCR te vergroten en ook deze groep te helpen. Lubbers' voorgangster, de Japanse Sadako Ogata, had daar wel oren naar. Maar de nieuwe Hoge Commissaris voelt er minder voor, in het besef dat UNHCR al ternauwernood haar huidige taken aankan.

De slagvaardigheid van UNHCR heeft soms te lijden onder het feit dat er mensen werken die eigenlijk niet zijn berekend op hun taak en alleen zijn aangenomen omdat ze een bepaalde nationaliteit bezitten. In de praktijk hebben de ontwikkelde landen de meeste geschikte kandidaten voor UNHCR-banen in huis, maar het is politiek niet te verkopen om de ontwikkelingslanden buiten te sluiten. Vooral de Afrikanen zijn er heel behendig in om via enig gelobby banen bij UNHCR te bemachtigen.

De vroegere Nederlandse medewerker meent dat de ook voor Westerse begrippen vorstelijke salarissen van UNHCR-medewerkers een averechts effect hebben. ,,UNHCR trekt daardoor soms een verkeerd soort mensen aan. Iemand uit een land als Tsjaad, die vijf jaar bij UNHCR werkt, kan daarna in eigen land de rest van zijn leven gaan rentenieren.'

De geldzucht van sommige medewerkers brengt UNHCR af en toe in acute verlegenheid. De voormalige Hoge Commissaris Jean-Pierre Hocké moest ruim tien jaar geleden het veld ruimen na financiële schandalen. In februari nog werd de organisatie opgeschrikt door een corruptieschandaal in het kantoor in Kenia.

Ondanks de twee Nobelprijzen voor de Vrede die UNHCR in 1954 en in 1981 won, kent de organisatie in de praktijk vaak een noodlijdend bestaan. Dat heeft vooral te maken met haar meestal nogal precaire financiële situatie. De 5.252 medewerkers, van wie 4.350 in het veld werken en op kantoren in 121 landen (de overigen werken in Genève), zijn er aan gewend geraakt dat hun werkgever in permanente geldnood verkeert. De kas voor hulpoperaties is dikwijls op een haar na leeg. Op gezette tijden moet er daarom een bedeltocht langs de grote donoren uit de geïndustrialiseerde landen worden gehouden om het werk te kunnen voortzetten.

Ook het afgelopen jaar zat de organisatie weer opgescheept met een tekort van een kleine 250 miljoen dollar op een budget van zo'n 950 miljoen dollar. Met veel hangen en wurgen lukt het uiteindelijk steeds weer de zaak gaande te houden. De hoop in Genève en New York is dat Lubbers met zijn goede connecties in de politiek en de zakenwereld hierin verbetering kan brengen.

UNHCR krijgt soms het verwijt dat de organisatie te log opereert bij hulpacties. Zo kwam ze in 1999 veel te traag op gang in de Kosovo-crisis, zoals de leiding later ook erkende. Het duurde weken voor `Genève' in de gaten had dat het om een nieuwe megacrisis ging.

Sommige critici betogen voorts dat UNHCR door de jaren heen het accent te zeer is gaan leggen op de coördinatie van grote hulpoperaties. Zij vinden dat de organisatie zich meer moet inzetten voor de bescherming van vluchtelingen, zoals ook uitdrukkelijk in het mandaat van de organisatie staat, bijvoorbeeld bij terugkeer naar hun moederland.

Een UNHCR-woordvoerder in Genève wijst er echter op dat UNHCR wel degelijk het beschermingswerk serieus neemt, alleen krijgt dit niet zoveel aandacht in de media. ,,We hebben er ons bijvoorbeeld krachtig voor ingezet dat Tadzjiekse vluchtelingen veilig naar huis konden gaan. Intussen hielpen we ze ook met hun huisvesting. Juist die combinatie van bescherming en fysieke hulp biedt een prima kans op succes.'

Gerectificeerd

In de grafiek UNHCR: tekort van 250 miljoen (in de krant van donderdag 15 maart, pagina 35) is een verkeerde schaal gebruikt bij het overzicht van de donoren van de UNHCR. De bedragen moeten door tien gedeeld worden. De Nederlandse bijdrage