Een kwart eeuw oorlog en geweld

Geweld en droogte teisteren de inwoners van Afghanistan, maar de buitenwereld bekommert zich vooral om boeddhabeelden.

NET ALS VEEL VAN DE 200 Afghaanse artsen in Nederland zou de chirurg Zaher Banai, die hier sinds 1994 verblijft, niets liever doen dan zo snel mogelijk naar Afghanistan terugkeren. ,,We zouden een grote bijdrage aan de wederopbouw van ons land kunnen leveren'', zegt Banai (41). Maar het moet er eerst wel veilig genoeg zijn zodat ze geen ontvoeringen, gevangenschap en martelingen hoeven te vrezen. En zover is het nog lang niet. ,,Niemand voelt zich nu nog veilig onder de Talibaan'', aldus Banai.

Zo'n 35.000 Afghanen, overigens maar een klein deel van de miljoenen vluchtelingen uit het Centraal-Aziatische land, zijn uitgeweken naar Nederland omdat ze de toestand in eigen land onhoudbaar vonden. Al een kwart eeuw verkeert Afghanistan in de greep van oorlog en geweld.

Het begon halverwege de jaren zeventig met een guerrilla-oorlogje van jonge islamitische fundamentalisten tegen de gevestigde orde in Kabul. Eind jaren zeventig voerden Afghaanse communisten een staatsgreep uit, maar hun radicale, onafhankelijke koers zinde de Sovjet-Unie niet, waarop het Rode Leger eind 1979 Afghanistan binnenviel. De Russen installeerden een marionettenbewind in de hoofdstad Kabul en dachten het weinig ontwikkelde maar strategisch gelegen Centraal-Aziatische land verder snel te veroveren.

Net als de Amerikanen in Vietnam, misrekenden de Russen zich volledig. Vooral op het platteland sloten de Afghanen zich massaal aan bij het eerst nauwelijks serieus genomen islamitische verzet. De mujahedeen, de strijders van de heilige oorlog, kregen bovendien al snel veel financiële steun en wapens van de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Pakistan.

Vanuit de bergen begonnen de verschillende groepen van de mujahedeen een meedogenloze strijd tegen de in hun ogen goddeloze Russen. De Russen en hun (niet zeer talrijke) Afghaanse bondgenoten schuwden op hun beurt geen enkel middel om het platteland te onderwerpen. Zo werden in de loop van de jaren tachtig op zeer grote schaal dorpen verwoest. Dikwijls ging dit gepaard met gruwelijke slachtpartijen onder de burgers.

De overlevenden namen in groten getale de benen. Eind jaren tachtig zaten er meer dan drie miljoen Afghanen in vluchtelingenkampen in Pakistan, terwijl nog eens een paar miljoen Afghanen in Iran verbleven. Binnen Afghanistan zelf waren er ook nog eens twee miljoen mensen op drift geraakt, waardoor in totaal bijna de helft van de toenmalige bevolking van huis en haard was verdreven.

In 1988 besloot Sovjet-leider Michail Gorbatsjov een eind te maken aan `deze etterende wond' door het Rode Leger terug te trekken uit Afghanistan. Zo geschiedde, al hield de Sovjet-Unie het Afghaanse communistische bewind nog tot 1992 de hand boven het hoofd.

De aftocht van het Rode Leger was een moment van hoop voor de vluchtelingen. Een deel ging al snel huiswaarts, verwoeste dorpen en met landmijnen bezaaide wegen en velden trotserend. Ook het buitenland was bereid de Afghanen, die zo moedig tegen de Russen hadden gestreden ten koste van honderdduizenden doden, te helpen bij de wederopbouw van hun zwaar geschonden land.

Die hoop ging echter snel in rook op. Uit pure machtswellust richtten de mujahedeen hun wapens op elkaar. Zo ontbrandde er een verbitterde strijd om vooral Kabul, dat tot dan weinig te lijden had gehad onder de gevechten. Opnieuw vielen er tienduizenden doden en de eens zo plezierige hoofdstad, waar ook Westerse hippies zich in de jaren zestig en zeventig zo op hun gemak hadden gevoeld, veranderde in één reusachtige ruïne.

Hoewel de bevolking deze overgang van een heilige oorlog naar een burgeroorlog met stijgende ergernis aanschouwde, stond ze machteloos. De strijders beschikten nog over enorme hoeveelheden wapens. Elke groep kon bovendien wel op steun van een belanghebbende buurstaat rekenen, die altijd wel bereid was financieel of militair bij te springen. Veel mujahedeengroepen en hun krijgsheren ontpopten zich als struikrovers, die er niet voor terugdeinsden de burgers in de omgeving kaal te plukken. De corruptie tierde welig. Vooral intellectuelen en beter opgeleide vrouwen zagen geen enkele toekomst meer voor zichzelf in Afghanistan en vluchtten naar het buitenland.

In de tweede helft van de jaren negentig verslechterde de situatie verder, toen de Talibaan hun opwachting maakten. Ze verketterden de mujahedeen als corrupt en onislamitisch. De beweging kreeg veel aanhang onder Pathanen, de grootste etnische groep, en rukte snel op. In oktober 1996 namen de Talibaan ook Kabul in. Ze controleren nu 90 procent van het land.

Hoewel er aanvankelijk waardering bestond voor de rust die er over het land viel na de jarenlange factiestrijd, werd het bewind van de in religieus opzicht uiterst steile Talibaan vooral in de steden als zeer repressief ervaren. Mannen moesten een baard dragen, vrouwen mochten alleen nog met een alles bedekkende jurk met tralievenstertje voor de ogen de straat op. Onderwijs en gezondheidszorg werden voor hen vrijwel ontoegankelijk. Alle vertier, van muziek en dans tot voetbal, werd verboden als onislamitisch.

Nog minder dan de mujahedeen bekommerden de Talibaan zich om het landsbestuur. Onderwijs, gezondheidszorg en andere overheidsvoorzieningen verloederden daardoor nog sterker. Tot overmaat van ramp werd Afghanistan afgelopen jaar getroffen door een uitzonderlijk lange periode van droogte, waardoor er hongersnood dreigde. Zo kwam er de afgelopen maanden opnieuw een massale vluchtelingenstroom van moreel en fysiek uitgeputte Afghanen op gang. De buitenwereld volstond er mee mondjesmaat hulp te sturen en maakt zich intussen drukker om enkele bedreigde zeldzame boeddhabeelden dan om het treurige lot van de steeds wanhopiger Afghaanse bevolking.