Dromen onder een vochtige deken

Na vier oorlogen is het voormalige Joegoslavië gevuld met vluchtelingen. En die zijn nog steeds niet overal veilig.

IN DIT DEEL VAN EUROPA vonden in een decennium vier oorlogen plaats, wonen meer dan een miljoen mensen wel in hun land maar niet in hun huis, houden zeshonderdduizend vluchtelingen zich op in een van de buurlanden en bevinden tweehonderdduizend vluchtelingen zich in het buitenland. In het voormalige Joegoslavië kom je overal vluchtelingen tegen.

Laatst nog, in de Bosnische hoofdstad Sarajevo, zat een gevlucht echtpaar uit Kosovo aan tafel. Ze hadden elkaar leren kennen in hun studententijd. Er was echter een probleem: hij was Albanees, zij was Servisch. Gemengde huwelijken zijn uit den boze in Kosovo. Maar het jonge stel liet zich niet van de wijs brengen. ,,We waren tenslotte verliefd'', zegt hij. Ze trouwden en kregen twee kinderen. En uiteindelijk verstomden de bezwaren van familie, vrienden, buren.

In 1998 begonnen de problemen opnieuw. De burgeroorlog laaide op. Het stel besloot Kosovo te ontvluchten, want Albanese jongemannen liepen gevaar. Met de kinderen trokken ze naar de Turkse stad Istanbul. Intussen draaiden de rollen in Kosovo om. Na de luchtoorlog van de NAVO en de terugkeer van de Kosovo-Albanezen braakte Kosovo een nieuwe stroom vluchtelingen uit: Kosovo-Serviërs en Roma-zigeuners. Ze sloegen op de vlucht voor de wraakacties van de Albanezen.

Het echtpaar stond voor een volgend probleem. Hij kon wel terug naar Kosovo, maar daar was zij, een Servische, niet veilig. Na rijp beraad ging hij naar Kosovo en vertrok zij, met de kinderen, naar familie in de Kroatische hoofdstad Zagreb. En nu was het gezin weer verenigd in het Bosnische Sarajevo en stonden ze op het punt te vertrekken naar Canada, waar ze waren opgenomen in een vluchtelingenprogramma. ,,Maar liever waren we hier gebleven'', zegt hij.

Ooit maakten Priština, Zagreb en Sarajevo deel uit van één land: Joegoslavië. De inwoners woonden verspreid over zes deelrepublieken (Bosnië, Kroatië, Macedonië, Montenegro, Servië en Slovenië) en spraken dezelfde taal, Servo-Kroatisch. Nu bestaat Joegoslavië uit twee deelrepublieken (Montenegro en Servië) en wil het gros van de inwoners niet meer naast elkaar wonen.

Na vier oorlogen zijn de (voormalige) deelrepublieken gevuld met vluchtelingen en internally displaced persons: mensen die binnen de grenzen van hun eigen land op de vlucht zijn geslagen. Zes jaar na de oorlog in Kroatië wonen circa 340.000 Kroatische vluchtelingen, meest van Servische afkomst, nog altijd buiten Kroatie. Een groot aantal vluchtelingen is naar de Noord-Servische stad Novi Sad vertrokken. Daar houden ze het hoofd boven water met twee, soms drie baantjes per dag.

Inmiddels beseffen de meeste vluchtelingen nooit meer terug te keren naar hun huizen. Mevrouw Vraneš is een van hen. Onlangs stak ze de grens over om haar oude huis te bezoeken. Leuk was het niet. De buren groetten niet, maar gluurden vanachter de vitrage naar haar. ,,In zo'n vijandige omgeving kan ik niet wonen'', verzucht ze in haar flat in het Servische Novi Sad. Daarom heeft ze onlangs het huis in Kroatië verkocht – voor een derde van de werkelijke prijs.

De oorlog in Bosnië bracht een ongekende vluchtelingenstroom op gang. Op het hoogtepunt van de strijd waren meer dan 3,5 miljoen mensen op de vlucht, zowel binnen als buiten Bosnië, aldus de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR. Met het akkoord van Dayton (1995) kwam er een einde aan de oorlog. Van harte ging dat niet Bosnië raakte de facto verdeeld in drie delen: de Bosnische Kroaten in het zuidwesten, de Bosnische moslims in het midden, de Bosnische Serviërs in het noordoosten.

Bosnië is veilig en de vluchtelingen keren terug. Maar zij gaan vooral terug naar de zogenoemde meerderheidsgebieden: gebieden waar de `etnische groep' van de vluchteling in de meerderheid is. Zo zijn de Bosnische moslims wel teruggekeerd naar Sarajevo, maar durft slechts een handvol Bosnische moslims terug te gaan naar Srebrenica, dat tegenwoordig in Bosnisch-Servische handen is. Ook in andere gebieden worden terugkerende vluchtelingen bedreigd, uitgescholden of worden hun bezittingen in brand gestoken.

De vierde en laatste Balkan-oorlog ging om Kosovo. Binnen enkele weken werden ruim achthonderdduizend Albanezen uit Kosovo gejaagd. Voor de grensposten van de buurlanden Albanië en Macedonië stond dagelijks een kilometerslange file van menselijk leed. Dat leed zou overigens betrekkelijk kort duren. Na elf weken gaf Joegoslavië zich gewonnen en trok de NAVO binnen. In haar kielzog kwamen honderdduizenden Kosovo-Albanese vluchtelingen om nog voor de bittere Balkan-winter aan de opbouw van hun huizen te beginnen. Met grootscheepse financiële hulp van het Westen lukte dat.

Voor de Serviërs in Kosovo liep het slecht af. Een groot aantal vertrok halsoverkop naar Servië en, in mindere mate, naar Montenegro. Ze kwamen niet gelegen. Beide deelrepublieken huisvesten volgens een opgave van de UNHCR al een half miljoen vluchtelingen uit de vorige oorlogen. Daar kwamen nu nog eens zo'n tweehonderdduizend internally displaced persons bij, want officieel bleef Kosovo deel uitmaken van Joegoslavië.

De meeste vluchtelingen wonen bij familie of in opvangcentra: failliete restaurants, verlaten kampeerterreinen, gymzalen. Hun vooruitzichten zijn beroerd, want oorlogen en internationale sancties hebben de Servische economie op de rand van de afgrond gebracht. Onder hun vochtige dekens dromen de vluchtelingen dan ook van terugkeer naar hun huizen in Kroatië, Bosnië of Kosovo – of van een Canadees vluchtelingenprogramma.