Beeldenstorm 1

In de krant van 5 maart schrijft redacteur Hubert Smeets over het onderwerp `beeldenstorm' naar aanleiding van de vernielingen door de Talibaan. Hij geeft daarbij een kort overzicht van de beeldenstormen in de geschiedenis.

Bij het Byzantijns iconoclasme vergist hij zich zowel in de chronologie als in de data.

Het iconoclasme speelde zich af in twee grote etappes. Het begon inderdaad met het verwijderen van het mozaïek van de afbeelding van Christus boven de paleispoort in 726.

Vervolgens werd het iconoclasme beëindigd met het concilie van Nicea II in 787, bijeengeroepen door keizerin Irene. De iconenverering werd weer toegestaan, evenals het vervaardigen van iconen. Maar de strijd laaide opnieuw op, met name tijdens de regering van keizer Leo V en zijn opvolgers. Tenslotte riep keizerin Theodora opnieuw een synode bijeen in 843 te Constantinopel en dit betekende definitief het einde van de beeldenstrijd.

Vervolgens noemt Smeets de beeldenstorm in Nederland. Deze was wel degelijk het gevolg van de houding van de reformatoren. Zij beriepen zich allemaal op het bijbelse beeld-verbod uit Exodus en Deuteronomium. Alleen Luther zou zijn standpunt later verzachten. Hij zou afbeeldingen (geen beelden) in de kerken toestaan met het argument dat de gebeurtenissen uit de bijbel de gelovigen ook medegedeeld moeten worden door beeltenissen en niet alléén door het Woord. Hij greep hierbij terug op de brief die paus Gregorius de Grote in 600 schreef aan een bisschop die een kleine beeldenstorm gehouden had in zijn parochie en die door de paus berispt werd. Gregorius zegt daarin: ,,De afbeeldingen tonen aan hen die niet kunnen lezen maar wel kunnen zien, wat de Schrift leert aan de geletterden.'' Natuurlijk was het geheel van deze beeldenstormen in de zestiende eeuw veel meer dan alleen maar een uiting van protest van theologen. De religieuze argumenten werden, zoals altijd, regelmatig gebruikt om andere, meer verborgen, motieven te camoufleren en dat fenomeen is in iedere beeldenstorm terug te vinden.