Bedrijfsleven staart zich blind op beurskoersen

Al voor sprake was van de nieuwe economie was de dominantie van de financiële beurswereld zichtbaar. De gevolgen daarvan voor het gedrag van consumenten, ondernemingen en overheden zijn verstrekkend. Met alle risico's van dien, meent Arjen van Witteloostuijn.

Elk tijdsgewricht en elke samenleving krijgen de sterren die zij verdienen. In navolging van het grote Amerikaanse voorbeeld zijn dat in de paarse wondereconomie de bestuurder-ondernemer en de beursanalist geworden. De hoeveelheid zendtijd en krantenpapier die dag in dag uit verloren gaat met het reproduceren van het weinigzeggende en ronkende proza van deze Nieuwe Sterren, is oogverblindend. Ook gisteren was het weer raak. In reactie op de glijvlucht van de Amerikaanse Wall Street-indices van de nieuwe en oude economie, de Nasdaq en DowJones-index, is de Amsterdamse beursvloer korte tijd door paniek bevangen geweest.

Na een gedwongen pauze van een kwartier konden de herstelwerkzaamheden beginnen. De turbulente dag werd vervolgens traditioneel afgesloten met de monotone en slaapverwekkende analistenbabbel op radio en tv over rentestanden, winstwaarschuwingen, waardencorrecties en massapsychologie. Hoewel deze `vandaag-was-het-turbulent-en-morgen-misschien-ook-niet' analyses inmiddels een permanent déjà-vugevoel oproepen, lijkt het erop alsof het karakter van de discussie langzaam aan het veranderen is. Dat komt door het toenemende gevoel van onbehagen over de mogelijke consequenties van de sluipende beurskrach.

Vooral sinds duidelijk is geworden dat de nieuw-economische wondermachine in de Verenigde Staten – met de belofte van voortdurende hoogconjunctuur zonder inflatiegevaar – tot stilstand is gekomen, staat de ene na de andere commentator op die op zoek gaat naar een antwoord op de vraag of de wereld een periode van economische rampspoed tegemoet gaat. In deze krant uitte de vooraanstaande Amerikaanse macro-econoom Olivier Blanchard gisteren bijvoorbeeld zijn twijfel over de houdbaarheid van de stelling dat de Amerikaanse stagnatie van korte duur zal zijn.

De teneur van deze en andere commentaren is dat het karakter van de mondiale nieuwe economie een kwetsbaarheid in de hand werkt die sterke overeenkomsten vertoont met die van de stokoude economie van voor de Tweede Wereldoorlog. Natuurlijk: de verdergaande en verregaande penetratie van de moderne informatie- en communicatietechnologieën gaat gepaard met grote veranderingen binnen bedrijven en op markten, die de economie confronteren met een indrukwekkende structuurwijziging. Ook deze `revolutie' lijkt echter een keerzijde te hebben.

Het symbool van deze keerzijde is de dominantie van de financiële beurswereld. De gevolgen van deze andere structuurwijziging voor de gedragingen van consumenten, ondernemingen en overheden zijn verstrekkend. Consumenten bouwen indrukwekkende virtuele vermogensposities op door spaargeld te steken in effectenbeleggingen. Deze papieren vermogens worden vervolgens omgezet in `harde' valuta via omvangrijke kredietverstrekkingen. Sterker: fiscaal-aantrekkelijke leningen worden verstrekt ten behoeve van de opbouw van effectenportefeuilles.

In de Verenigde Staten heeft deze ontwikkeling ertoe geleid dat de consumenten meer uitgeven dan zij verdienen. Het duurzame tekort op de handelsbalans is daarvan het zichtbare vlaggenschip. Dat gaat goed tot het fout gaat. Met het inzakken van de beurs verdwijnen de papieren vermogens als sneeuw voor de zon. Dat geldt echter niet voor de schulden. Het gevolg zijn dalingen van het consumentenvertrouwen en een afnemende vraag naar – vooral – duurzame consumptiegoederen. Geen wonder dat rampspoed de DaimlerChryslers van deze wereld het eerst heeft getroffen. Daarmee is de industriële recessiekettingreactie in gang gezet.

Nog erger is de invloed van de beursdominantie op de gedragingen van bedrijven. Het hoofddoel van bijna elke beursgenoteerde onderneming is de blinde koestering van aandeelhouderwaarde. Waar het in menige bestuurskamer om gaat, is een permanente jacht op hogere aandelenkoersen. Vooral bedrijfsstrategieën die een kortetermijnimpuls geven aan de beurskoers, mogen zich in een ongekende populariteit verheugen. Daarmee worden bedrijven en werknemers tot handelswaar. Met de huidige fusie- en acquisitiegolf gaan bedragen gemoeid waarvan nationale overheden slechts kunnen dromen. De reactie van de beurs op aankondigingen in de sfeer van bedrijfshandel, die steevast gepaard gaan met de bezweringsformule dat fraaie kostenreducties en dito synergieën in het verschiet liggen, is vaak juichend. Daarmee is het `aandeelhouderwaardewild' geschoten voordat de bedrijfshandel is geëffectueerd. De lage kansen op `waardecreatie' van bedrijfshandel op de lange termijn zijn van latere zorg.

Een vergelijkbaar effect gaat uit van de aankondiging van saneringen. Ook daarmee wordt de aandeelkoers op korte termijn opgepompt, of wordt in ieder geval een verdere daling voorkomen. In deze krant van gisteren gaf notabene aandeelhouderwaardegoeroe Tom Copeland te kennen dat ondernemingen zich daarmee uiteindelijk in de eigen voeten schieten. Immers: zeker in deze nieuw-economische kennistijden valt het niet mee om zonder (tevreden) personeel aandeelhouderwaarde te creëren. Ook hier domineert echter het kortetermijnongeduld. De huidige barre beurstijden, met een inzakkend bedrijvenvertrouwen tot gevolg, gaan gepaard met de ene saneeraankondiging na de andere – door nieuw-economische (bijvoorbeeld Cisco) en oud-economische (bijvoorbeeld DaimlerChrysler) `waarden', en door arme (bijvoorbeeld Amazon.com) en rijke (bijvoorbeeld ABN Amro) ondernemingen.

De gedragingen van consumenten en ondernemingen worden in toenemende mate `gestuurd' door ontwikkelingen in de financiële (beurs)wereld. Dat leidt tot oppompeffecten in tijden van hoogconjunctuuroptimisme en instortgevaren in perioden van recessiepessimisme.

De enorme omvang van de financiële economie, die de reële economie ver in de schaduw stelt, werkt als helium in hosannatijden en als lood in depressieperioden. De macro-economische luchtballon zwiept noodgedongen mee met het financiële licht- of zwaargewicht, naar boven en – helaas – ook naar beneden.

De consequentie is een indrukwekkende turbulentie en een vergrote kwetsbaarheid van de nieuwe economie. Overheid en politiek kunnen niet achter blijven. Aan de ene kant wordt in toenemende mate toegegeven aan de druk vanuit de financiële wereld om deregulering of regelgeving die de effectenhandel en de aandeelhouder ten goede komt.

In deze context is de lopende, en treurigstemmende, discussie over de herijking van het Nederlandse systeem van corporate governance illustratief. Aan de andere kant wordt het macro-economische beleid steeds vaker afgestemd op het beurssentiment. Hiervan is Alan Greenspan het boegbeeld. Deze FED-voorzitter ent het Amerikaanse rentebeleid in toenemende mate op de stemmingen in Wall Street en omstreken. De profeten van de nieuwe economie hebben groot gelijk: de economie is revolutionair van karakter veranderd.

Prof.dr. A. van Witteloostuijn is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen.