Akkoord over CAO in bouw

Werknemers in de bouw krijgen een loonsverhoging van in totaal 5 procent, mogelijk nog vermeerderd met prijscompensatie als de prijsstijgingen dit jaar hoger uitvallen dan 3,5 procent. Een kleine minderheid van de werknemers, die geen prestatieloon krijgt, komt in aanmerking voor 2 procent extra loonsverhoging. Werkgevers en bonden zijn dit vannacht overeengekomen in een principeakkoord voor een eenjarige CAO.

Per 1 april wordt een loonsverhoging van 4 procent van kracht. Op 1 juli komt daar 1 procent bij en eind december wordt eventueel de extra prijscompensatie uitgekeerd. De automatische prijscompensatie is daarmee terug in de CAO. De FNV Vakcentrale verdisconteert de consumentenprijzen niet in zijn richtlijnen voor de looneisen, omdat daardoor een loon-prijsspiraal kan ontstaan. In de bouw-CAO's is de prijscompensatie altijd nog verdisconteerd, zij het in de vorm van een tevoren geraamd, vast bedrag. Het risico dat de inflatie hoger zou uitvallen, was daarbij voor de werknemers. In de nieuwe CAO wordt de werkelijke inflatie weer verdisconteerd, en ligt het risico bij de werkgevers. Die zijn daar ,,niet zo gelukkig mee'', aldus een woordvoerder, maar ,,moesten toch iets doen''. De FNV Vakcentrale wil niet reageren op de hernieuwde invoering van de automatische prijscompensatie.

Over het algemeen zijn zowel werkgevers als bonden tevreden over het akkoord. De bonden omdat door de extra 2 procent het loon niet kan terugvallen als door een recessie de prestatiebeloning wegvalt. Werkgevers zien het akkoord als ,,een eerste aanzet'' tot modernisering van de arbeidsvoorwaarden, met keuzemogelijkheden voor de werknemer. Er start een proef met flexibele arbeidstijden, en roostervrije dagen kunnen worden omgezet in vroegpensioen. Werkgevers willen in de toekomst toe naar een vorm van winstdeling op bedrijfstakniveau.