De roes der misdaad

Een arme neef is de enige erfgenaam van een rijke oom en tante. Zo'n verhouding is sowieso niet zonder risico's. Deze neef is dokter. De tante is dol op katten, heeft er zelf ook een. Plotseling is Poes verdwenen. Tante wordt door haar neef getroost met drie jonge poesjes. Een paar weken later is ze dood, gestorven aan tetanus. De politie vertrouwt het niet, verdenkt de neef maar kan niets bewijzen. Dan sterft ook de oom; weer tetanus. De neef staat op het punt het kapitaal te incasseren, als inspecteur Bertillon van de Sûreté een licht opgaat. Is hier in de Wereldoorlog niet verschrikkelijk gevochten? Ja, dit huis met deze tuin hoorden tot het middelpunt van een slagveld. In de aarde wemelt het van bacteriën. In de hersens van Bertillon ontstaat de reddende kortsluiting. De neef wist van de besmette aarde. Katten graven in de aarde. Worden opgetild, geaaid, vertroeteld. Als oom en tante daarmee bezig waren, kwam de neef en pakte het dier af. Het sloeg zijn nagels uit, kraste over het vel van de erflater en bezorgde haar en hem zodoende de dodelijke ziekte.

Ik heb het verhaal wat vereenvoudigd, maar het is een waar gebeurde geschiedenis, uitvoerig verteld door H. Ashton-Wolfe, in de jaren twintig wetenschappelijk onderzoeker bij de Franse veiligheidsdienst. Het staat met nog elf miraculeuze gevallen in zijn boek De roes der misdaad, zonder jaartal, verschenen aan het begin van de jaren dertig. Het is geschreven in een plechtige, gedetailleerde stijl – enigszins Zola, en in overeenstemming met de onderwerpen hier en daar E.A. Poe – en geïllustreerd met foto's van de daders, plaats van het misdrijf en bewijsmateriaal. Uitgegeven door J. Philip Kruseman.

Uit de recensie in de NRC, afgedrukt op de achterkant van het stofomslag, citeer ik: `Zij die de gewone detectiveverhalen niet ècht genoeg vinden, kunnen in dit boek genieten van een serie heusche misdadigers – en waarlijk niet van klein kaliber! – met foto's, op de luguberheden en hun bedrijvers betrekking hebbend, geboekstaafd.' Als boeken toen van een leeswijzer waren voorzien, zouden een spook en een spin een zwakke waarschuwing zijn geweest.

Ik zal een jaar of tien geweest zijn, toen ik het in mijn vaders boekenkast ontdekte. Las over Hanoi Shan, die met een ratelende lach zijn slachtoffers opeiste. De giftige duizendpoot die door een gat in het plafond aan een draad op het slapende slachtoffer werd neergelaten. Het monster met de twaalf tenen. En in de inleiding: `Het is helaas een feit, dat misdaden een vreemden en perversen roes wekken, die voortkomt uit die primitieve en lage instincten, welke zelfs in de beste menschen sluimeren en die eeuwen lang den menschaap tot het kwaadaardigste en wreedste aller schepselen maakte.' De vertaling is dus in ieder geval van vóór de spelling Marchant. En of het daardoor komt, weet ik niet, maar Peter R. de Vries en de reality tv steken er bleek bij af.

Je hebt van die boeken die je een leven lang gezelschap houden, zoniet materieel, dan toch in je herinnering. Gullivers reizen en de Avonturen van Bulletje en Boonestaak zou ik niet graag willen missen, en evenmin Oorlogsvliegtuigen der belligerenten. En zo ging ook De roes der misdaad tot mijn levensbagage horen, door de oorlog, Hongerwinter, Bevrijding, jaren zestig en al die andere tijdvakken heen. Je krijgt bij zulke boeken dan aandrang, je rijkdom met anderen te delen. Zo kwam ik er jaren geleden toe, het uit te lenen. Aan wie? Vergeten! In ieder geval aan iemand die deze rijkdom niet verdient.

Als ik langs een antiquariaat kwam, ging ik wel eens naar binnen en vroeg: `Hebt u de roes der misdaad?' Tot vervelens toe. Ik hield ermee op, uit vrees als freak bekend te worden. En toen, vorige week om deze tijd: telefoon! De eigenaar van antiquariaat De Friedesche Molen, in de Rosmarijnsteeg. Hij had het gevonden. Ik liet alles liggen en snelde naar de winkel. Onbeschrijfelijk was dit weerzien met De roes der misdaad. (De lezer merkt dat ik weer door Ashton-Wolfe ben aangestoken). Het lettertype, het plankdikke papier, en op pagina 200: `Laat niemand zich verroeren, snauwde plotseling een grimmige, onmenschelijke stem uit een hoek van de aardedonkere séance-kamer. Rafael Cortez, Rafael Cortez! La muerte esta aqui! Denk aan Josetta! Een afschuwelijk kreunend gesteun volgde op het laatste woord, terwijl van alle kanten een gegil van schrik en het geluid van omvallende stoelen klonk'. (–) `Het licht ging weer aan. Het mes dat een oogenblik te voren nog op tafel had gelegen, was met zulk een kracht in de nek van Cortez gestoken, dat het heft nog natrilde.'

Ashton-Wolfe, bleek nu, heeft nog twee boeken geschreven, De onderwereld en Het onzichtbare web. Die heb ik ook gekocht, en ze zijn van hetzelfde laken een pak. De NRC was er destijds zeer over te spreken.

Leen nooit een boek uit dat tot uw levensbagage hoort. Of doe het wel, en vindt na jaren een ander exemplaar. Je moet kunnen schrijven als een Ashton-Wolfe om de gevoelens waarmee dit weerzien gepaard gaat, den lezer duidelijk te maken.