WAO-problematiek

De WAO-problematiek hangt als een donkere wolk boven de feestbegroting van Paars II. In 1998 werd door Paars de Wet medische keuringen ingevoerd. Doel van de keuringswet was onder meer om de rol van artsen bij sollicitaties op te heffen. Bedrijfsartsen werden in het wetsvoorstel, in strijd met de medische gedragscode, voorgesteld als belangenbehartigers van werkgevers en als `keurmeesters' die sociaal zwakkeren de toegang tot arbeid zouden beletten.

De afschaffing van aanstellingskeuringen door Paars heeft mede geleid tot de catastrofale problemen van thans. Werkzoekenden die medische bescherming nodig hebben, komen het bedrijfsleven wel binnen, maar de eerste kennismaking met de arts vindt pas plaats als de nieuwe werknemer al ziek is. Vooral kleinere bedrijven kunnen dan geen passende arbeid meer aanbieden en worden op hoge kosten gejaagd.

De optimistische cijfers die de overheid thans presenteert over tienduizenden WAO'ers die het bedrijfsleven binnen zouden stromen, zijn gebaseerd op een illusie. De gedupeerden stromen er namelijk weer even snel uit en claimen opnieuw een uitkering. Arbodiensten worden hierdoor buitensporig belast.

Tijdens de behandeling van de keuringswet werd een amendement om het woord aanstellingskeuring te vervangen door preventief gezondheidsonderzoek door een Kamermeerderheid verworpen. Eveneens een amendement om een onderzoek te doen naar de invoering en popularisering van zogenaamde belastbaarheidprofielen voor WAO'ers, die op heldere en duidelijke wijze aangeven tot welke arbeid zij in staat zijn. De reïntegratiewetten kunnen vooral dan op een zinvolle wijze worden toegepast.

Het wordt hoog tijd dat de overheid zich meer bewust wordt van het adagium `pas het werk aan aan de werker', zoals verwoord in artikel 3 van de Arbowet. Als ook het bedrijfsleven meer aandacht voor preventie heeft, kunnen bedrijfsartsen de sleutelpositie innemen die zij bij de bescherming van minder gezonde werkzoekenden verdienen.