Veiligheid verdient plaats in de Grondwet

Het is goed dat er discussie plaatsvindt over het voorstel van Jaap de Hoop Scheffer (CDA) om het recht op veiligheid in de Grondwet op te nemen. F. Kuitenbrouwer plaatst in deze krant van 6 maart bij het voorstel een aantal kanttekeningen die nopen tot een reactie.

De eerste vraag is: wat moet er in een grondwet staan? Het eenvoudige antwoord is: datgene wat een volk belangrijk vindt. Er bestaat geen twijfel dat de burgers de zorg van de overheid voor veiligheid belangrijk vinden. Natuurlijk is `constitutionele rijpheid' een mooi criterium voor het vertalen van nieuwe ontwikkelingen in de Grondwet, zoals de betekenis van informatie- en communicatietechnologie voor de grondrechten. Het criterium doet echter wat koddig aan als het gaat om het recht op veiligheid, dat al voorkomt in de Bill of Rights van Virginia (1776) en in de Franse Verklaring van de rechten van de mens van 1789. Onze Staatsregeling van 1798 noemde `beveiliging van persoon, leven, eer en goederen' als algemeen beginsel en werkte dit uit in artikel 9, luidende: `Ieder Ingezeten der Bataafsche Republiek heeft (...) aanspraak op de bescherming van persoon en goederen'. Hier ligt de oorsprong van artikel 4 van de Grondwet van 1815 dat `gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen' aan ingezetenen en vreemdelingen toekende. Omdat men de bepaling te vrijgevig voor vreemdelingen vond, is zij in 1887 algemener geformuleerd. Daardoor verviel het verband met het vreemdelingenrecht en kwam het accent volledig te liggen op de gelijke behandeling. In 1983 is de gelijke behandeling vervat in artikel 1 van de Grondwet, maar de `bescherming van persoon en goederen' is zonder discussie geschrapt. Achteraf gezien is dat jammer.

Het in de Grondwet op te nemen recht op veiligheid zou drie facetten kunnen omvatten. Ten eerste: `Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon', zoals artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en artikel 6 van het te Nice geproclameerde Handvest zeggen. Vrijheid heeft wel een plaats in de Grondwet (artikel 15), veiligheid niet. De overheid mag geen inbreuk maken op de veiligheid van de burgers, bijvoorbeeld door te hard op te treden bij de handhaving van de openbare orde.

Ten tweede – en dat ziet Kuitenbrouwer over het hoofd – brengen de vrijheden van het EVRM ook positieve verplichtingen mee voor de overheid. In de Guerra-zaak (1998) bijvoorbeeld oordeelde het Hof in Straatsburg dat de Italiaanse overheid de privacy van de omwonenden had geschonden door hen niet te informeren over de gevaren van een chemische fabriek. De positieve plicht zorg te dragen voor de veiligheid van de burgers zou ook in de Grondwet kunnen worden opgenomen.

In de derde plaats verdient meer algemeen de plicht van de overheid om een deugdelijk veiligheidsbeleid te voeren, een plaats in de Grondwet. Gelet op de prioriteit die veiligheid behoort te hebben is dat niet overbodig. Zo'n sociaal grondrecht kan worden uitgewerkt in een wet op de veiligheid, zoals in Frankrijk bestaat. Een sociaal grondrecht zet de vrijheid niet opzij, zoals Kuitenbrouwer suggereert, maar respecteert en beschermt juist de vrijheid en veiligheid van de burger.

Alis Koekkoek is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Katholieke Universiteit Brabant.