Steun roepia is `water gieten op zand'

Indonesië betaalt een hoge prijs voor de politieke onrust. De roepia en de aandelenkoersen zijn in een vrije val geraakt. De schuld is torenhoog. Investeerders verlaten het land. De economie staat aan de rand van een nieuwe crisis.

ExxonMobil, de Amerikaanse oliegigant die al 25 jaar aardgas wint in Atjeh, gaf er dit weekeinde de brui aan. Het bedrijf, dat repte van ,,een onhoudbare veiligheidssituatie'' in de opstandige provincie, beroofde Indonesië van een belangrijke deviezenbron. De roepia maakte in twee beursdagen een duik van twintig procent tegen de dollar en belandde op het laagste koerspeil sinds 1998, het dieptepunt van de crisis in Azië. De index van de Jakartaanse effectenbeurs zakte gisteren door de als `psychologisch' gekenschetste vloer van 400 punten.

Sommige economen waarschuwen dat de Indonesische volkshuishouding aan de rand van een nieuwe crisis staat, terwijl ze nog kampt met de gevolgen van de vorige. De aanhoudende verzwakking van de roepia stelt bedrijven die aangewezen zijn op geïmporteerde grondstoffen en onderdelen voor grote problemen en maakt de toch al grote schuldenlast alleen maar zwaarder.

De economie leek zich vorig jaar te herstellen van de klap die ze in 1997 te verwerken kreeg en groeide in 2000 met 4,8 procent. Herhaling van dit succes in 2001 is twijfelachtig, want die groei was vooral te danken aan consumptieve bestedingen, export en een hoge olieprijs. De prijs voor ruwe olie is gedaald, Indonesië's voornaamste exportmarkten – Japan en de Verenigde Staten – kampen met problemen en de steeds zwakkere roepia doet het consumentenvertrouwen geen goed. Voor bestendige groei zijn investeringen nodig en die blijven uit, want het nieuws uit Indonesië is onverdeeld ongunstig: politieke spanningen, bloedige etnische twisten en aanhoudende onrust in opstandige gewesten.

Bank Indonesia (BI), de nationale bank, wist de koers van de roepia maandenlang te stabiliseren met forse aankopen, maar dat ging ten koste van de deviezenvoorraad. De bank beschikt nog over 29,1 miljard dollar. De totale buitenlandse schuld bedraagt 140 miljard dollar, waarvan dit jaar 26,5 miljard moet worden afgelost. Anwar Nasution, vice-gouverneur van de BI, zei gisteren dat er een grens is aan het interventievermogen van de bank en dat het nu aan de politiek is om de markt gerust te stellen. Nasution: ,,Zolang de politici zich niet verzoenen, zijn steunaankopen als het gieten van water op zand.''

De jongste glijvlucht van de roepia begon op 1 februari, toen het parlement met een grote meerderheid president Wahid een waarschuwing gaf die kan uitmonden in een slepende afzettingsprocedure. Deze machtsstrijd is nog onbeslist en verlamt beleidsvorming. Op 18 februari brak een bloedige oorlog uit in Indonesisch Borneo tussen inheemse Dajaks en Madoerese landverhuizers. Tv-beelden van afgehakte hoofden wekten wereldwijd de indruk dat Indonesië wegzakt in chaos en geweld. Dat is overdreven, maar `de markt' is nu eenmaal gevoelig voor CNN-flitsen. Diezelfde markt gaat ook af op rating agencies, die ten bate van het bedrijfsleven economieën de maat nemen. Zowel Moody's als Standard & Poor's schroefde de prognoses voor Indonesië vorige week omlaag.

In 1998, op het dieptepunt van de monetaire crisis, riep Jakarta de hulp in van het Internationale Monetaire Fonds (IMF). Partijen bereikten overeenstemming over een bijstandskrediet van 5 miljard dollar om Indonesië te helpen zijn door de crisis geopenbaarde en door koersval van de roepia drastisch opgelopen schulden te herstructureren en het nationale bankwezen te redden van de ondergang. Als tegenprestatie verplichtte Jakarta zich tot een reeks hervormingen: ontmanteling van monopolies, privatisering van staatsbedrijven, een onafhankelijke centrale bank en meer rechtszekerheid voor investeerders. Deze afspraken werden vastgelegd in periodieke Letters of Intent (LoI) die steeds gedetailleerder werden.

Uitvoering van deze LoI's stuitte gaandeweg op binnenlandse weerstand. Het krediet wordt uitbetaald in tranches, afhankelijk van naleving van de gemaakte afspraken. In december schortte het IMF de periodieke uitkering op, omdat de tijdslimiet voor enkele hervormingsmaatregelen niet was gehaald. Het Fonds heeft een reeks bezwaren tegen het beleid van Jakarta. De Indonesiërs zouden te weinig haast maken met sancties tegen grote, onwillige debiteuren met politieke connecties. De afgesproken limiet voor verkoop van twee handelsbanken, die in 1997 met andere technisch failliete banken onder curatele werden gesteld van het Lichaam voor sanering van het nationale bankwezen (BPPN), is verstreken, omdat het parlement zich verzet tegen `uitverkoop'. Een ander heet hangijzer is de positie van de centrale bank (BI). Die werd in mei 1999 onafhankelijk, maar het bestuur, dat was betrokken bij malversaties, bleef zitten. Om de gouverneur, tegen wie een proces loopt, te kunnen vervangen moet de nieuwe wet worden aangepast en de door de regering voorgestelde amendementen bedreigen volgens het IMF de autonomie van de bank.

Indonesië en het IMF lijken tot elkaar veroordeeld – niemand gelooft dat het Fonds zich zal terugtrekken en zo de verantwoordelijkheid op zich laden voor de economische ineenstorting van dit land. Het huidige uitstel plaatst de regering echter voor acute begrotingsproblemen en bedreigt eerdere afspraken met de Club van Parijs over herstructurering van Indonesië's miljardenschuld.