Senaat eist recht op zondagsrust

Minister Vermeend (Sociale Zaken) wordt vandaag in de Eerste Kamer op het matje geroepen, omdat hij op eigen houtje een internationaal verdrag heeft opgezegd.

Het stamt uit 1957: Het `verdrag betreffende de wekelijkse rusttijd in handel en kantoren' van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). Het is strijdig met de Nederlandse Arbeidstijdenwet uit 1999, vond Vermeend, en de Tweede Kamer was akkoord. Maar toen de Eerste Kamer treuzelde, zegde Vermeend vast zonder parlementaire goedkeuring op. Dat pikt de Senaat niet.

Naast de oppositie — in het bijzonder CDA en ChristenUnie die menen dat de opzegging van het verdrag de ongepaste neiging bij het kabinet om aan de zondagsrust te knagen markeert — heeft ook de D66-fractie in de Eerste Kamer zich aan de vooravond van een heropend debat over het verdrag tegenover de minister opgesteld. Vermeend, meent D66-fractieleider Schuyer, heeft in deze zaak het parlement ,,buitengewoon onzorgvuldig behandeld''.

De zaak begon in februari. De Tweede Kamer had zonder problemen ingestemd met het opzeggen, maar in de Eerste Kamer staakten de stemmen, vanwege de vakantie van een VVD-senator. Het reglement van orde schreef herstemming op 6 maart voor. Maar dat was voor Vermeend veel te laat. Want als Nederland niet uiterlijk op 2 maart zou opzeggen, zaten we er weer tien jaar aan vast.

Dus liet de minister aan de IAO weten dat Nederland het verdrag opzegde. De Eerste Kamer werd daarvan door Vermeend schriftelijk op de hoogte gesteld. De daarover toch al bij de senatoren aanwezige irritatie werd nog aangewakkerd door wat Vermeend nog te berde bracht over een mogelijke wederaanmelding van Nederland voor het verdrag, mocht de Eerste Kamer besluiten aan opzegging goedkeuring te onthouden. Wederaanmelding zou, liet Vermeend weten, de Tweede Kamer moeten passeren en aangezien de regeringspartijen daar over een ferme meerderheid beschikken, is wederaanmelding niet goed denkbaar. Zo laten de senatoren zich niet graag behandelen. Zij stelden hun stemming van 6 maart uit tot heden, als de minister voor een schrobbering aanwezig kan zijn.