`Onschuldige' verdachte heeft de schijn tegen zich

Blagajo Simic meldde zich gisteren vrijwillig bij het Joegoslavië-tribunaal. Hij meent onschuldig te zijn, maar verslagen van ooggetuigen zijn huiveringwekkend.

,,Ik ben er absoluut van overtuigd dat ik onschuldig ben en ik ben er zeker van dat ik dat zal bewijzen'', zei Blagajo Simic voordat hij zich meldde bij het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag. De Bosnische Serviër wordt door het tribunaal als verantwoordelijke aangeklaagd voor de vervolging en deportatie van burgers op politieke, raciale, en religieuze gronden.

Volgens openbaar aanklaagster Carla del Ponte is er sprake van ,,een absoluut vrijwillige overgave'' en zijn er met Simic geen speciale afspraken gemaakt over medewerking met processen tegen andere beklaagden. Ze sprak op een persconferentie gistermiddag van een ,,bemoedigend signaal'' omdat de Joegoslavische regering had meegewerkt aan de overgave van de Joegoslavisch staatsburger Blagajo Simic.

De aanklacht tegen hem dateert van 1995. Dat Simic zich nu vrijwillig meldt, wordt in verband gebracht met de toenemende internationale druk op Belgrado om intensiever met het tribunaal samen te werken.

Igor Pantelic, de advocaat van Simic, zei gisteren in Den Haag dat zijn cliënt niet wil dat ,,heel Servië de gijzelaar wordt omwille van bepaalde individuen''. Hij verwees naar het dreigement van de VS om de geldkraan dicht te draaien als Belgrado geen duidelijk signaal geeft dat het wil meewerken met het Joegoslavië-tribunaal.

Het is de eerste keer dat een burger van Joegoslavië zich vrijwillig meldt. De belangrijkste verdachten – de Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic, opperbevelhebber Ratko Mladic en de voormalige Joegoslavische president Slobodan Miloševic – lopen nog vrij rond. Het uiteindelijke succes van het tribunaal zal afhangen van hun arrestaties. ,,We wachten op de grote vissen'', zegt een medewerker van het tribunaal. ,,De kans dat zij het voorbeeld van Simic zullen volgen is erg klein.''

Simic (1960) was tijdens de oorlog in Bosnië-Herzegovina de belangrijkste politicus in Bosanski Samac, een stad in het noorden van Bosnië aan de grens met Kroatië. De politicus zou zich tussen september 1991 en december 1993 hebben beziggehouden met het voorbereiden en uitvoeren van etnische zuiveringen. Na de overname van Bosanski Samac in het voorjaar en vroege zomer van 1992 werden met geweld tienduizenden Bosnische moslims en Kroaten verdreven. Als lokale leider, die zichzelf in 1992 uitriep tot burgemeester van Bosanski Samac, wordt hij door het tribunaal verantwoordelijk gehouden voor de daden van zijn ondergeschikten.

In zijn boek Witness to genocide (1993) schrijft auteur Roy Gutman over de ervaringen van mensen die gevangen hebben gezeten in Bosanski Samac. Een ooggetuigeverslag: ,,Ik was één van de 800 gevangenen in de concentratiekampen van Bosanski Samac. De gevangenen waren Kroaten, moslims en Albanezen, er waren vrouwen bij en oude mannen, zelfs een man van 73. Gevangenen werden niet meegenomen na een gevecht, ze werden uit hun huizen gehaald. Ze werden geslagen, gevangen gehouden in bloedhete, dichte ruimtes, ze kregen geen water, ze mochten niet naar de wc. (...) In het begin werden de martelingen uitgevoerd door speciale eenheden uit Servië, later werden die overgenomen door lokale politiemannen, die waren veel wreder. (...)

,,De speciale eenheden sloegen ons overdag, buiten. De lokale politiemannen sloegen ons meestal 'snachts. Ze namen hun slachtoffers één voor één mee naar buiten, drie, vier of soms tien van hen stortten zich erboven op en sloegen wat ze maar raken konden met wat ze maar konden bedenken. Het geschreeuw van de slachtoffers was vreselijk. (...)

,,Een andere marteling bestond er uit dat we niet naar de wc konden gaan als dat moest. We kregen een keer per dag eten, lunch, dat was een dunne boterham met jam. (...) Ze gingen zover dat ze een gevangene dwongen zand te eten. Een ander moest zijn eigen ontlasting opeten. Weer een ander moest seks hebben met een andere gevangene. (...)

,,De vreselijkste nacht was die van 7 op 8 mei. Een speciale eenheid kwam en schoot 15 van de 45 gevangenen dood. Iemand werd uitgekozen, geslagen en daarna doodgeschoten. Mensen vielen bloedend over elkaar heen, het bloed stroomde over de cementen vloer. (...) Daarna werden de jongeren gedwongen de lijken in een vrachtwagen te laden, de vloer moest worden schoongemaakt, wij sliepen die nacht op die vloer.''