Mond- en klauwzeer

Broodje krokodil? Nee bedankt, ik heb voorlopig geen trek. Thaise boeren, die nu al zo'n vijf ton krokodillenvlees per maand produceren voor de Aziatische markt, sturen deze maand hun eerste lading naar Europa, waar de vraag naar alternatieven voor rund en varken explosief is toegenomen door de huidige, verschrikkelijke crisis in de Europese vleesindustrie.

Geen wonder. Niemand zal ongevoelig blijven bij de deprimerende beelden uit de bio-industrie, de stapels varkens, schapen en runderen die worden vernietigd om onze maaltijd absoluut veilig te stellen. Geen wonder ook dat er allerlei gewetensvragen worden gesteld over de moderne voedselindustrie. We hebben ons kennelijk uitgeleverd aan een maniakale zucht naar permanent gevarieerd, kleurrijk, smakelijk en veilig voedsel, waar de dieren uiteindelijk de prijs voor betalen met een kort, bruut leven en een huiveringwekkende fabrieksdood. Een zoveelste ontnuchtering van de moderniteit.

Jan Fontijn heeft in de Volkskrant verwezen naar J.M. Coetzee's Lives of the Animals, waarin – niet voor het eerst – een vergelijking wordt getrokken tussen het lot van de dieren in de bio-industrie en de industriële moord in de nazi-kampen, waar volgens de auteur de medeplichtige bevolking destijds ook niets van wilde weten. Het is een boude stelling, maar de morele onrust over de bio-industrie lijkt – in het meest positieve geval – wel te wijzen op een groeiend besef dat de kring van levende wezens die met respect behandeld dienen te worden, moet worden uitgebreid tot het dierenrijk. Ook dieren mogen niet puur instrumenteel worden gebruikt als gevoelloze objecten, zomin als we het nu nog normaal vinden dat een wetenschappelijke veldwerker plompverloren en zonder toestemming bij inheemse volken graven opent, schedels meet en bloed afneemt. Een kans voor morele vooruitgang, wie weet.

Toch kruipt er ook iets unheimisch in de emoties rond de dierenvernietiging. De cabaretier Robert Long maakte vorig jaar ook al de vergelijking tussen de bio-industrie en de holocaust, en werd door de rechter vrijgesproken van een klacht wegens belediging van de varkensboeren. Hoe voor de hand liggend ook, afgaande tenminste op de beelden van industriële vernietiging, de vergelijking is niet alleen schokkend en over de rand van de goede smaak, maar gaat ook mank. In nazi-Duitsland stond de techniek in dienst van een rassenwaan die uit was op de vernietiging van mensen ter wille van een zuivere wereld. In de bio-industrie gaat het om de uitwassen van een stuurloze industrie, die zonder enige ideologie doet wat mensen al millennia lang doen: dieren tot voedsel verwerken. Nog een verschil. Wij, die denken in heftige mediabeelden, willen deze horror juist zien: de rokende stapels dieren behoren nu al tot de iconografie van de 21ste eeuw. Wij stoppen de dood niet weg, we brengen hem op de voorpagina, in full color.

Waarom is dan juist de bio-industrie zo'n makkelijk aangehaald voorbeeld van een eigentijdse `holocaust'? De taferelen uit die sector raken een aantal van dezelfde open zenuwen van de moderniteit als de nazi-genocide: de industriële aanpak, het faustiaanse pact tussen mens en techniek, de totale onschuld van de slachtoffers. Het zijn de angsten van een moderne wereld die haar gezicht heeft verbrand en onzeker is over haar eigen medeplichtigheid.

Dat inzicht is niet van vandaag en ook niet van Coetzee. Het was de omstreden Duitse filosoof Martin Heidegger, in de jaren dertig zelf meegesleept door de revolutionaire verleidingen van het nazisme, die al in 1949 een overeenkomst zag tussen de holocaust en de geïndustrialiseerde landbouw en veeteelt. `Landbouw', zei hij in een beruchte lezing, `is vandaag de dag een gemechaniseerde voedselindustrie, in wezen hetzelfde als de productie van lijken in gaskamers en concentratiekampen'. Het was een schandalige uitspraak, waarmee Heidegger de misdaden van de nazi's probeerde te bagatelliseren, een uitspraak die paste in zijn ijskoude, anonieme filosofie, en bij zijn kritiek op de heerschappij van techniek in de moderne wereld.

En het was een uitspraak waar je ook nu nog zelf mond- en klauwzeer van zou krijgen. Het leed van de holocaust-slachtoffers werd door Heidegger misbruikt omwille van een abstracte wereldwijsheid die alle concrete verschillen en menselijkheid wegpoetst. Zo vond Heidegger ook dat de Sovjet-Unie van Stalin en het Amerika van Roosevelt `metafysisch gesproken' hetzelfde waren: allebei waren ze immers in de greep van de moderne techniek. Jürgen Habermas heeft Heidegger terecht bekritiseerd om deze inktzwarte `nivellerende blik', waarin alle katten grauw worden. Voor een minder metafysische geest is het hopelijk precies andersom: gebeurtenissen en omstandigheden mogen nog zoveel op elkaar lijken – en zo'n besef kan een eye-opener zijn – maar `eigenlijk' zijn ze altijd weer anders.

Geen van de moderne critici van de bio-industrie gaat gelukkig zo ver als Heidegger, en er is nog een ander verschil. Heidegger had geen medelijden met de slachtoffers van de nazi's – daar was hij te verheven voor; slachtoffers waren niet de moeite van het overdenken waard. Bij ons staat het slachtoffer juist in het middelpunt van de belangstelling.

Maar ook zonder die Heideggeriaanse kilheid, en met ons sentiment voor dieren, blijft de vergelijking met de shoah – waarschijnlijk een betere term dan het religieuze `holocaust' – een gevaarlijke. Is er al een `doodvonnis-holocaust' gesignaleerd in Texas? (ook een gemechaniseerd proces) Een `holocaust' op de snelweg? (ook razernij van de massamens) `Het probleem met de meeste lessen uit de holocaust is niet dat ze verkeerd zijn, maar dat ze leeg zijn', merkt Peter Novick op in zijn The Holocaust and collective memory (1999). De holocaust kan ons gevoelig maken voor andermans leed, maar ook ongevoelig voor leed dat niet dramatisch genoeg is, banaal, even uit de mode, of gewoon saai.

Los van die riskante vergelijking, appelleert de huidige biocrisis aan ons sentiment, onze empathie met dierenleed, maar ook aan het kwade geweten van een dolgedraaide consumptie-industrie. Mogelijk is die rijp voor ingrijpende versobering en morele verbetering. Maar een industrie zal het blijven. Dat is de volgende ontnuchtering van de moderniteit.