Hollandse schoolmeesters in Griekse tragedie

Het Noord Nederlands Toneel onder leiding van Koos Terpstra zoekt naarstig naar direct contact met het publiek. Cabaretiers en kleinkunstenaars moeten daar in Groningen korte metten maken met de deftigheid van het Grote Toneel en met de griezeligheid van de Griekse Tragedie. Dus begint Mijn Elektra met een ontspannend praatje. `Goedenavond. Ik ben Carice van Houten. Ik ben het koor.'

Carice van Houten is een van die kleinkunstenaars bij het NNT en ze is jong en flink. Onbevangen stapt zij de antieke wereld binnen. Daar heersen nog goden en orakels en het centrum van het sociale leven is er de offerplaats. Vormgegeven, door Jean Marie Fievez, als een zuil die van onder tot boven beplakt is met kindertekeningen. Een explosie van primitiviteit en primaire kleuren. Ook Elektra en haar broer Orestes zien er knallend uit. Veerle van Overloop draagt een regenboog-hes en een felle jas; Mads Wittermans is uitgedost met dreadlocks en een vuurrode broek. Van Houtens verpakking steekt daar discreet en ook wat bleek bij af. Staat hier Hollandse nuchterheid tegenover Griekse wildheid?

Je zou het haast gaan denken. Iets wilds heeft Elektra's wraakzucht zeker. Iets mateloos', net als haar verdriet: de moordenares van haar lieve papa Agamemnon moet dood, en dat die moordenares haar eigen moeder is, maakt haar nog beslister.

Maar bij Orestes zit het anders. Hij deinst voor de moedermoord terug en de doodsteek die hij Klytaemnestra uiteindelijk toch geeft, komt onder druk tot stand. Orestes als een hamletiaanse twijfelaar: op zichzelf is dat een spannende interpretatie. Helaas meent Wittermans dat het uitdrukken van een slap karakter identiek is aan slap spel – van deze acteur gaat geen vertwijfeling uit, maar een slaapverwekkende futloosheid.

Een aarzelende broer, een resolute zus, en geen van beiden boeit. Van Overloop voorziet haar personage weliswaar van een tragische dictie, maar die overtuigt niet omdat er geen sprake is van een innerlijk conflict. Met zulke vlakke helden krijgen de onderlinge conflicten evenmin reliëf. Dat ligt niet aan Camilla Siegertsz. Haar Klytaemnestra verdedigt de moord op Agamemnon met een bloedstollende rede. Krijsend en vleiend herinnert zij haar gehoor aan het leed dat Agamemnon haar aandeed toen hij hun dochtertje Ifigeneia aan de goden offerde. Klytaemnestra is de enige die belangstelling wekt, ja zelfs mededogen, domweg omdat Siegertsz de enige is die uitmuntend speelt. En dat is tevens een probleem: zo speelt zij de anderen weg.

Joost Prinsen als de machtsbeluste opvoeder van Orestes is zo slecht verstaanbaar dat je hem ondanks zijn vervaarlijke gezwaai met een aanwijsstok niet serieus kunt nemen. En Carice? Zij, de verstandige meid, laat zich gruwelijk misbruiken. Door Elektra, die haar dwingt partij te kiezen, door Orestes, die haar offstage verkracht, en door de schrijver van het stuk.

Die schrijver heeft minder weg van Aischylos, Euripides en Sofokles dan van de stokzwaaiende pedagoog. Koos Terpstra kickt op schoolmeesters en zij lozen hun lessen vooral in de monologen van Carice. In een van die monologen somt Van Houten alle oorlogen op die er vanaf haar geboorte in 1976 hebben gewoed en zo geeft auteur-regisseur Terpstra te kennen dat oorlog hetzelfde is als moord, namelijk pure haat. Een simplistische conclusie, die weinig ruimte laat aan het oordeelsvermogen van de toeschouwer. Dan was Koos Terpstra's Troje Trilogie uit 1995 heel wat uitdagender.

Direct contact met het publiek is leuk, behalve als het tot betutteling leidt.

Voorstelling: Mijn Elektra door het Noord Nederlands Toneel. Tekst en regie: Koos Terpstra. Gezien: 10/3 Stadsschouwburg, Groningen. Tournee t/m 20/5. Inl. (050) 3113388 of www.nnt.nl.