`Geruimde' dieren tonen leegte bestaan

De Nederlandse taal heeft er een keurig eufemisme bij gekregen: waar eerder in verband met het massaal afmaken en afvoeren van dieren boudweg van `vernietigen' werd gesproken, gaat nu de algemene voorkeur uit naar de wat zachtere en neutralere term `ruimen'. Het staat echter nog te bezien of deze term een lang leven beschoren is, want de neutraliteit van het woord weegt niet op tegen de gewelddadige visuele definitie die het in journaals en actualiteitenprogramma's meekrijgt.

Waarom zijn de beelden zo stuitend? De dieren in kwestie zijn immers al dood; ze voelen er niets van dat ze zo worden afgevoerd. En toch bekruipt je als kijker het gevoel dat hier iets niet klopt, dat het opruimen van dode dieren om een andere aanpak vraagt dan het vernietigen van vuilnis. Maar waarom zou dat zo zijn? Wat is het verschil tussen een dood dier en bijvoorbeeld een afgedankte plastic beker? Ze zijn in elk geval geen van beide meer functioneel.

Een dier is een levend wezen met elementaire gevoelens, een zekere mate van zelfstandigheid en eigen voorkeuren. Daarmee verschilt het wezenlijk van een plastic beker en staat het dichter bij ons eigen wezen. Een dier heeft deel aan het geheim van het leven, dat wij misschien wel kunnen analyseren of beschrijven, maar vooralsnog in zijn essentie bepaald niet naadloos kunnen vatten. Precies om de reden dat een dier qua levend wezen met een kwalitatieve sprong verschilt van een plastic beker, kun je het niet zomaar vernietigen zonder de eigen aard van dit wezen verregaand geweld aan te doen.

In onze tijd bestaat de tendens aan dit fundamentele respect voor het leven voorbij te gaan. Met het ruimen van dieren lijkt het gebrek aan een adequaat levensbegrip en daarmee ook een gebrekkig begrip van de wijze waarop we met dat leven moeten omgaan in zicht te komen.

Gepreoccupeerd met technische mogelijkheden en economische overwegingen die louter nog gericht zijn op het behalen van het hoogste rendement van iets binnen ons bestel, vernietigen wij niet alleen de (zieke) dieren, maar ook het eigen karakter van het dier als levend wezen.

De beelden van de vaak niet eens zieke varkens of koeien die geruimd worden zijn vermoedelijk zo stuitend en verontrustend, omdat ze ons een spiegel voorhouden, waarin we de onverschillige gewelddadigheid zien die de leegte van ons begrip van en voor het individuele leven met zich meebrengt. Dit fundamentele probleem laat zich zeker niet even oplossen. Het betekent echter wel dat een maatschappij die daarmee te kampen heeft een zekere reserve moet hebben jegens zichzelf en belang moet hechten aan serieus denkwerk dat op dit punt constructief kan zijn; denkwerk dat gevoed wordt door de intuïties die de meesten van ons ongetwijfeld hebben bij de aanblik van het huiveringwekkende schouwspel dat we met onze grenzenloze, grootschalige en geïndustrialiseerde veehouderij nu `noodzakelijk' op de koop toe moeten nemen.

Marijke Breeuwsma is classica; Ad Verbrugge is universitair docent ethiek te Leiden.