Triomf van de dorst naar kennis

`En toch beweegt ze', waren de dramatische woorden waarmee de Italiaanse astronoom Galileo Galileï (1564-1642) zijn gruwelijke verhoor tegen de katholieke kerk besloot. In navolging van Copernicus plaatste Galileï niet de aarde in het middelpunt van het universum maar de zon. Volgens de kerkleer vertrapte hij met deze overtuiging de aarde tot een kruimel, de mens - kroon der schepping - tot een prul en, nog erger, hij schafte God en hemel af.

Galileï is voor alles wiskundige, man van wetenschap en helder denken. Hij verzet zich tegen het obscurantisme van de kerk. Bertolt Brecht schreef, op de vlucht voor nazi-Duitsland, in ballingschap Het Leven van Galileï (1938/39). Galileï is misschien niet Brechts spectaculairste stuk, het is wel een van zijn meest persoonlijke. In de jaren vijftig schreef hij een nieuwe versie toen hij in de Verenigde Staten zelf zijn linkse opvattingen moest verloochen tijdens de heksenjacht op communisten van senator McCarthy.

Regisseur, bewerker én hoofdrolspeler Ger Thijs speelt Galileï met dartele souplesse, alsof hij een bevlogen dichter uitbeeldt die niet het wereldraadsel heeft opgelost maar zojuist is geïnspireerd tot het ultieme liefdesgedicht. Gekleed in tijdloos grijs en lange dichtersjas beweegt Thijs zich lichtvoetig, dansend zelfs, over de bühne. Hij aanbidt het optische wonder van zijn telescoop. Hij sleept iedereen naar het oculair om diep in het heelal te schouwen.

In de oorspronkelijke versies van dit biografische toneelstuk laste Brecht tal van scènes in, zoals het koor, die de illusie van de vierde wand moesten doorbreken. Thijs maakt bij het Nationale Toneel geen brechtiaans episch theater, eerder transparant lyrisch theater. In zijn rigoureuze bewerking laat hij Galileï's enthousiasme zegevieren boven de felle strijd met de dogmatische kerk. Die is er wel, gesymboliseerd door kardinalen en zelfs de paus, maar het vormt niet de kern. De geestelijkheid die Galileï dwarsboomt, en die zelfs weigert door de kijker te turen, is met treffend vertoon van imposante kostuums uitgebeeld. Lou Landré is een scherphekelende kardinaal die weet te overtuigen dat het nieuwe wereldbeeld schokkend is; datzelfde geldt voor Wim van den Heuvel als curator van de universiteit.

De decors zijn niet meer dan strakke, abstracte wanden die een oneindige diepte suggereren. Tegen de achterwand koepelt duizelingwekkend de sterrenhemel. Diezelfde lichtende stijl kenmerkt ook Vondels Lucifer in de regie van Hans Croiset, die dit stuk trouwens in 1971 regisseerde met een bijrol voor Ger Thijs en Max Croiset in de titelrol. Het draait in Galileï om de gloed van de overtuigingskracht en de moed het ondenkbare te denken, en dat bovendien wereldkundig te maken.

Zijn vriend en lenzenslijper Sagredo krijgt een mooie vertolking door Jan van Eijndthoven, balancerend tussen ongeloof en begrip. Leerling van het eerste uur, Andrea (Aus Greidanus jr.), hekelt zijn meester omdat hij zijn stellingen uit angst voor foltering heeft herroepen. De toenadering aan het slot is daarom des te emotioneler, omdat Andrea een manuscript met onweerlegbare bewijzen naar buiten smokkelt. Galileï is weliswaar gevangen genomen door de kerk, maar ongebroken en allesbehalve gekweld. Dat laatste zou ook niet passen in Ger Thijs' spel- en regieopvatting waarin wetenschap een zinnelijke, vurig-romantische dorst naar kennis is.

Voorstelling: Het Leven van Galileï van Bertolt Brecht door Het Nationale Toneel. Regie, bewerking en spel: Ger Thijs. Gezien 10/3 Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Tournee t/m 19/5. Inl.: 070-3181482 of www.nationaletoneel.nl.