Regeringsoppositie

IN DE AANLOOP naar de onderhandelingen over de laatste begroting van het paarse kabinet verhardt de taal zich. De meningsverschillen concentreren zich rond de `Zalmnorm'; de afspraak tussen de drie coalitiepartijen dat er een strikte scheiding dient te worden gemaakt tussen inkomsten en uitgaven. Dit `veiligheidsslot' werd in 1994 bij het aantreden van de eerste paarse coalitie aangebracht. Bij het regeerakkoord van het tweede paarse kabinet in 1998 werd de Zalmnorm wegens gebleken succes geprolongeerd.

De Zalmnorm – die dus gewoon een paarse norm is – begint voor twee van de drie coalitiepartners, PvdA en D66, een last te worden. Zij hebben moeite met de duale ontwikkeling waar de keuze van paars toe leidt. Enerzijds is er de telkenjare hogere economische groei dan waar in de regeerakkoorden van 1994 en 1998 vanuit was gegaan. Die zorgt voor enorme financiële meevallers aan de inkomstenkant. Hierdoor kon het financieringstekort worden weggewerkt en was er ook nog geld voor belastingverlagingen.

Maar de Zalmnorm zorgde er ook voor dat de economische voorspoed zich minder vertaalde aan de uitgavenkant. En hoewel er de afgelopen jaren ten opzichte van de afspraken in het regeerakkoord flink meer is geïnvesteerd, doen zich als gevolg van de krappe begrotingsruimte in een aantal overheidssectoren problemen voor. Als gevolg van het bewust gevoerde beleid kampt de (gezondheids)zorg nu met zaken als wachtlijsten en personeelsgebrek en heeft het onderwijs eveneens te maken met duizenden vacatures en achterstallig onderhoud in de ruimste zin van het woord.

VANDAAR HET op zichzelf redelijke pleidooi van PvdA en D66 om minder dogmatisch om te gaan met de Zalmnorm. Van belang is wel dat er wordt gepraat in concrete plannen en niet in louter de roep om extra geld. De winst van het sinds het begin van de jaren tachtig ingezette beleid is nu juist dat afscheid is genomen van allerlei automatismen.

Wat echter wel verbaast is de toon waarmee PvdA en D66 hun kritiek op het financiële beleid van het kabinet verwoorden. Een toon die suggereert dat beide partijen zelf geen verantwoordelijkheid dragen voor het tot nu toe gevoerde beleid. De kroon spande wat dit betreft D66-fractievoorzitter De Graaf het afgelopen weekeinde in Groningen tijdens een bijeenkomst van zijn partij. Hij veegde de vloer aan met de gedachte dat in Nederland het beste onderwijs voor het minste geld wordt gegeven. ,,Gevleid hebben we ons collectief in slaap laten sussen'', zei De Graaf.

Extra geld voor het onderwijs was volgens de D66-voorman dan ook hard nodig. ,,Te veronderstellen dat wij ons onderwijs dat in twintig jaar tijd totaal is uitgekleed met als meest droeve resultaat de vlucht van de leraar uit het onderwijs, weer presentabel kunnen maken zonder daar fors in te investeren. Dat is uitgesloten.'' Aldus D66-leider De Graaf, coalitiepartner De Graaf, medeopsteller van het regeerakkoord De Graaf.

Aan het begin van zijn toespraak in Groningen formuleerde hij het nog zo pregnant: ,,Debatteren over de toekomst kan geen vrijblijvende bespiegeling zijn over het Utopia in 2020.'' Maar het kritiseren van beleid wordt eveneens een vrijblijvende bespiegeling als die kritiek komt van iemand die voor de volle honderd procent verantwoordelijk kan worden gehouden voor dat beleid. Om De Graaf nog maar één keer zelf te citeren uit zijn Groningse rede: ,,Visie zonder daden is erg: namelijk niets.''