New York's bravest

Rudy Giuliani, burgemeester van New York, laat geen gelegenheid voorbijgaan hoog op te geven van het brandweerkorps van zijn stad. Of de helden nu weer eens onder apocalyptische omstandigheden mensenlevens gered hebben of dat het korps juist aan kritiek blootstaat wegens vermeend discriminatoir selectiebeleid of onzorgvuldig toezicht op de conditie van de brandweerlieden, hij noemt ze strijk en zet New York's bravest.

Ik wil hem graag geloven, al ben ik nooit door sterke brandweerarmen uit verzengend vuur gedragen of opgevangen in zo'n huiveringwekkend springdoek. Maar wij wonen niet ver van een brandweerkazerne in West 77th street en dan is het prettiger om bij het geluid van een langsrazende sirene te denken: daar gaan New York's bravest weer, dan alleen maar scheel, zonder adem en met afgeknepen bloedtoevoer tegen een muur te springen. Wie het sirene- en claxongeluid van brandweerauto's en ambulances in deze stad kent, weet wat ik bedoel. Het enige waar ik in deze materie een beetje kijk op heb, is de grote honger van de brandweerman.

Dat zit zo. Schuin tegenover genoemde brandweerkazerne ligt, op Broadway, de supermarkt Fairway en de brandweerlieden doen daar hun inkopen. Geen tussendoortjes om de ledige uurtjes in de kazerne door te komen, geen Marsen, croissantjes rosbief of bakjes sushi, nee, échte inkopen voor de middag- of avondmaaltijd. Het is me inmiddels duidelijk geworden dat zo'n kazerne geoutilleerd moet zijn als de keuken van de Verschrikkelijke Reus of de Onvoorstelbare Holle Bolle Gijs in de sprookjes van Grimm: laaiende fornuizen, rekken vol kolossale pannen en torens serviesgoed. Niks geen van gemeentewege verstrekt kant-en-klaar prakje voor de dienstdoende dapperen, als iemand dat soms gedacht had. New York's bravest koken zelf – en hoe.

Soms doen de brandweermannen hun boodschappen als ze net van een klus terugkomen. Dan staat de blikkerende ladderwagen een moment dubbelgeparkeerd voor Fairway om de collega's die de Maaltijd gaan uitzoeken op hun gemak te laten uitstappen, voordat de chauffeur de 77ste straat weer indraait; in dat geval zie je de onverschrokkenen nog met de helm op de rug door de winkel lopen. Maar meestal is het een ploegje van vijf of zes man dat vanuit de kazerne even Broadway overgestoken is om de bevoorrading die dag op zich te nemen. Dan hebben ze alleen maar de pakken van brandwerende stof aan, met riemen waaraan allerlei interessants bungelt, en laarzen. Stuk voor stuk zijn het zware kerels en die pakken maken hen nog dubbel zo breed.

New York's bravest maken indruk bij Fairway. Het winkelend publiek deinst opzij, schuift in mekaar, dikt in, verdwijnt plaatselijk helemaal met zijn lastige karren en mandjes. Het gezeur en geteut bij de koekjesstellingen, de hoogopgetaste torens champignondoosjes, en vooral bij de vlees- en visafdeling is op slag voorbij. In dit laatste deel van de winkel is er vaak geen doorkomen aan door alle mensen die hun winkelwagen maar zo dicht mogelijk tegen de toonbanken geschoven hebben om de slagers een kwartier lang met gezanik over organic or not organic of for stew or for stir-fry op te houden.

Maar zie, daar komt de brandweer. De chef-slager staat opeens midden achter zijn vitrine en overlegt luidkeels met de bulderende grappenmakers over shell steak zus-en-zo, T-bone dit-of-dat en daar staan de hulpslagers al kilo's vlees te hakken en te snijden, vuistdikke lappen. Hebben de brandweermannen wel aan genoeg bossen uitjes gedacht? Eén krachtige yell door de zaak en daar komt vanaf de groenteafdeling al een Mexicaanse jongen aangedraafd met een tas vol bossen ui.

Soms willen de helden garnalen of mosselen eten. Dan is al het zeefruit in de vitrines nog niet genoeg en verdwijnen twee of drie witgejaste visverkopers hals over kop naar het magazijn om verbluffend snel terug te keren met bacchantisch uitpuilende plastic zakken garnalen of mosselen.

Van getreuzel houden de brandweerlieden niet (voor je het weet komt in de kazerne de melding van het inferno van het jaar binnen). Zó zie je ze nog op de kaasafdeling of bij het brood, of ze staan al vooraan bij de kassa's met vier, vijf caissières tegelijk te flirten. De chef kassa's leidt persoonlijk de afrekening in goede banen. Een tot in het diepst van zijn ziel geïmponeerd jongetje aan de hand van zijn moeder krijgt nog een speelse peut in de wang, en weg zijn ze alweer. En hoe pietluttig de wachtenden in de dubbele rijen bij Fairway ook altijd voordringers in de gaten staan te houden, nu maakt niemand ergens bezwaar tegen.

Bijna niemand. Want vandaag is er iemand die het niet pikt! Die ook voorrang wil.

Een groepje brandweermannen staat middenin een kassastraatje de doorgang aan beide kanten te blokkeren. Een paar zijn aan het afrekenen en een paar staan bijzonder veel werk te maken van de caissière aan de overkant. Daardoor zien ze niet dat er een duo nadert van een type dat je op Manhattan regelmatig kunt waarnemen: een zwarte nanny die een invalidenwagentje duwt met een stokoude, geheel uit rimpels en vellen bestaande blanke vrouw erin. De nanny roept goedmoedig `pardon me', maar de oude vrouw vindt zoveel lompheid onverdraaglijk en zet het als een papegaai op een krijsen. De brandweer schrikt op en wijkt naar twee kanten uit, maar het lukt de nanny niet om tussen die zware kerels en hun over de vloer verspreid staande draagtassen door te manoeuvreren. Geen nood; je bent New York's bravest of je bent het niet. Als op afspraak grijpen twee brandweerlieden aan de ene kant en twee aan de andere kant de kar met de oude vrouw op en dragen hem op schouderhoogte het pad door, over alle obstakels heen.

`Put me down', schreeuwt het oudje buiten zinnen en slaat met haar klauwhandjes links en rechts naar de hoofden naast zich. Maar die hoofden hebben voor hetere vuren gestaan. Helemaal naar de uitgang dragen ze haar, waar de doorboy schichtig wegschiet, en daar pas zetten ze haar neer.

Als een koningin schrijdt de nanny achter de rolstoel aan naar buiten.