Het goud is donker geworden

Nu is het dan gebeurd: een patiënte op een wachtlijst die met een kort geding snelle behandeling wilde afdwingen, heeft haar zin gekregen.

Niet waar, zegt het ziekenhuis, we waren helemaal niet bang voor dat kort geding, er was toevallig nét een plaatsje vrij voor die mevrouw. Dat trof ontzettend goed. Misschien dat voor de volgende die een advocaat dreigende taal laat uitslaan ook een gaatje gevonden kan worden `door een samenspel van factoren' waar die advocaat dan natuurlijk niets mee te maken heeft. Het valt te proberen.

In zijn pamflet De wachtlijst en andere gezondheidszorgen schreef Maurits de Brauw, tot september vorig jaar als chirurg verbonden aan het Academisch Ziekenhuis in Maastricht, dat tot nu toe zo weinig van de patiënten vernomen werd. Hier was dan de eerste.

Het pamflet van De Brauw, die zijn baan als chirurg uit onvrede met de bestaande toestand in zijn ziekenhuis opgaf, is geen stof waar men als lezer, en wie weet aanstaande patiënt, of familie of vriend van een aanstaande patiënt, vrolijker van wordt. Ooit was de Nederlandse gezondheidszorg toch iets om trots op te zijn. Niet dat we nu ineens op derdewereldniveau zitten, maar vertrouwenwekkend is het allemaal niet. Ach, het goud is donker geworden, de prachtige glans is geweken! (Onlangs hoorde ik de Klaagliederen van Jeremia op muziek van Lassus, werkelijk hemels uitgevoerd door Capella Amsterdam. De teksten daarvan schieten me steeds te binnen bij dit onderwerp.)

De Brauw beschrijft de eigenaardige regels die betekenen dat niet meer dan een bepaald aantal patiënten per jaar geholpen kan worden. Niet het aanbod van zieken bepaalt wat gedaan wordt, maar een zogenaamde `productie-afspraak'. ,,Op het moment dat het afgesproken aantal behandelde patiënten bereikt is, dient het geven van meer behandelingen te worden gestaakt.'' Jammer voor die mevrouw op de wachtlijst die pijn heeft en zich niet goed kan bewegen, die niet sterft maar wel lijdt. Zij weent 's nachts, weent! Tranen stromen over haar wangen...

Nog iets wat De Brauw schrijft: kijkoperaties, die minder belastend zijn voor de patiënt dan operaties waarbij gesneden wordt, en waardoor patiënten sneller uit het ziekenhuis kunnen worden ontslagen, waardoor dus meer bedden vrij komen, worden door de regelgeving tegengewerkt. Want ze zijn ten eerste iets duurder dan gewone operaties, en ziekenhuizen krijgen geen vergoeding voor werkelijke kosten maar een geraamde vergoeding. Dus is een kijkoperatie ook voor het ziekenhuis duurder. Ten tweede wordt een deel van het budget toegekend op grond van opnameduur. Dus een patiënt die kort ligt, levert minder op dan een patiënt die lang ligt. En ten derde mag de ruimte die vrij zou komen door dat korter liggen niet benut worden in verband met de eerder genoemde productieafspraak. Bezie, Heer, mijn leed, want opgestaan is de vijand.

Als oplossing voor alle problemen ziet De Brauw de invoering van de marktwerking in de gezondheidszorg, hij schrijft over `cliëntgerichtheid' en verwacht veel van een sterke vermindering van het overheidsaandeel in de zorg.

In zijn pamflet noemt De Brauw ook het voorbeeld van een schoonmaker die al 35 jaar in een ziekenhuis werkte. De man kreeg zelf een ontsteking aan zijn dikke darm en moest opgenomen worden. Maar zijn ziekenhuis had geen plaats voor hem. Alle 770 bedden waren vol.

Dat voorbeeld schoot prof. dr. Wim van de Donk, hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde aan de Katholieke Universiteit Brabant, die ik enige tijd geleden hoorde spreken op een congres over `Vertrouwen in de zorg' helemaal in het verkeerde keelgat. ,,Hier is sprake van institutionele burn-out, van een diepe betekeniscrisis'', meende hij. Hij gebruikte het voorbeeld als inleiding op een betoog voor meer gemeenschapswerking. Niet als iets half gaars van pannetjes soep en vroeger-zorgden-kinderen-zelf-voor-hun-oude-ouders, maar als een erkenning dat er meer motieven zijn om iets te doen dan uitsluitend economische, of redenen van individueel welbevinden. Er is meer dan de steeds opduikende tegenstelling tussen markt en staat als het gaat over de herinrichting van de gezondheidszorg, zo betoogde hij. Een belangrijke factor in de zorg is dat het om mensen gaat die elkaar dienen te vertrouwen, omdat ze, zeker als patiënt, nu eenmaal niet zoveel andere mogelijkheden hebben. En dat vertrouwen wordt meer versterkt door verantwoordelijkheidsgevoel, door een gevoel van verbondenheid, dan door productieafspraken of individuele eisen van degenen die rijk genoeg zijn om die eisen ook financieel kracht bij te zetten. Zo lang ziekenhuizen hun eigen schoonmakers gewoon wegbellen, is er iets helemaal mis.

Van de Donk is geen idealist die denkt dat als we elkaar maar allemaal aardig gaan vinden en betere mensen worden, alle problemen zich vanzelf wel zullen oplossen. Dat van die betere mensen is al eens vaker mislukt. Maar hij is wat angstig voor de heilzame werking van de markt waar velen, inclusief De Brauw dus, nu de overheid zo evident gefaald heeft in haar beheer van de zorg, nu wonderen van verwachten. In het marktdenken is het individu de held, zo schrijft Van de Donk, en dan valt die schoonmaker nog steeds buiten de boot. De `homo economicus' wordt geacht almaar onafhankelijk en rationeel voor het eigen belang te kiezen. Dat er misschien ook nog een ander belang zou kunnen zijn past niet in dat beeld. Met instemming citeert hij de schrijfster M. Februari/ Marjolein Drenth die in haar proefschrift schreef: ,,(-) de homo economicus is met zijn gebrek aan betrokkenheid een beetje een gek, a bit of a fool. Je kunt zeggen dat hij rationeel handelt omdat zijn keuzes consistent zijn, maar in zijn beperktheid lijkt hij verdraaid veel op een sociale imbeciel.''

Voor we van falende overheid naar `de tucht van de markt' gaan, zou deze waarheid wellicht door kunnen dringen. Jeruzalem, Jeruzalem, bekeert u tot de Heer uw God..