De grootste optimist van het zure boekenvak

Al vijftien jaar organiseert directeur Henk Kraima van het CPNB de boekenweek. Zijn uitnodiging aan Salman Rushdie om dit jaar het boekenweekgeschenk te schrijven, het dikste ooit, wekte veel kritiek.

`Ik hoop zoveel acties te ontwikkelen dat iedereen er met de tong uit de mond achteraan rent.'' Met dat mission statement presenteerde Henk Kraima zich vijftien jaar geleden als directeur van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB). En dat is hem gelukt. De organisator van de boekenweek die morgenavond met het Boekenbal wordt geopend, de kinderboekenweek en de `maand van het spannende boek', heeft zijn organisatie tot het middelpunt van de Nederlandse boekenindustrie gemaakt. Al hangt niet bij iedereen de tong amechtig uit de mond, zoals bleek uit de grote hoeveelheid kritiek die Kraima te verduren kreeg, juist op wat hijzelf beschouwde als een groot succes: het contracteren van de Brits-Indiase schrijver Salman Rushdie als auteur van het boekenweekgeschenk 2001, in een week met als thema `schrijven tussen twee culturen'.

De beroering die dat veroorzaakte, maakte eens te meer duidelijk hoezeer de Nederlandse boekenwereld achter de jongensachtige gestalte van de eigenwijze optimist Henk Kraima aanloopt. Het boekenweekgeschenk is een zaak van nationaal belang geworden. De historische keuze voor een buitenlandse boekenweekauteur werd gehekeld als een knieval voor de bestsellercultuur, een belediging van de Nederlandse schrijvers en dan vooral van Nederlandse `multiculturele' auteurs als Kader Abdolah, Abdelkader Benali en Astrid Roemer. Drie onafhankelijke uitgevers klaagden dat de boekenweekopdracht altijd aan een uitgeverij uit een van de grote concerns werd gegund. De commotie werd nog groter toen bleek dat Kraima, voordat het bij Rushdie aansluitende boekenweekthema `schrijven tussen twee culturen' was gekozen, Hugo Brandt Corstius had gevraagd een boekenweekessay over Erasmus te schrijven. Brandt Corstius werd afgezegd en schadeloos gesteld. Gevolg van alle opwinding was dat links en rechts werd gesignaleerd dat Kraima toch eigenlijk al veel te lang op zijn post zit.

Die laatste gedachte hangt nauw samen met Kraima's grote invloed. Hoewel hij de boekenweek niet heeft uitgevonden – het evenement is al 65 jaar oud – heeft hij haar wel groot gemaakt. Bij Kraima's komst was de CPNB op sterven na dood. Inmiddels bepaalt de organisatie een groot deel van de literaire agenda. Want het schrijven van het jaarlijkse geschenkenboekje is de publicitaire wensdroom van iedere schrijver, door de enorme oplage ervan en de media-aandacht die het oplevert. Bovendien heeft de keuze van het thema voor de boekenweek een grote invloed op de boekenproductie van een jaar: wie deze week een boekhandel binnenstapt en de enorme hoeveelheid boeken ziet die met wisselend succes proberen aan te haken bij het thema van de week, weet hoe groot de invloed van de CPNB is.

De baas van die organisatie is iemand die zich uitgebreid laat adviseren, de zaken graag langdurig met een klein groepje vertrouwelingen doorspreekt, maar de beslissingen uiteindelijk zelf neemt. ,,Kraima heeft een haast ouderwets ontzag voor goede literatuur'', zegt uitgever Joost Nijsen. ,,Dat koppelt hij aan een moderne marketingaanpak die vrucht afwerpt. In zekere zin is directeur zijn van de CPNB de ergste baan in het boekenvak. Je bent eigen baas, maar je moet iedereen tevreden stellen: de uitgevers, de boekwinkels en de schrijvers. Daardoor heeft hij een olifantshuid ontwikkeld.''

Kraima houdt de zaken graag in eigen hand, is vriendelijk, maar raakt merkbaar ontstemd als zijn regie wordt doorkruist. Hij is een marketingman die zich als een vis in het water voelt te midden van de culturele elite in de Amsterdamse grachtengordel en die zichtbaar geniet op het jaarlijkse Boekenbal, waarvoor hij zelf de uitnodigingen verstuurt. Met als hoogtepunt het bal van dit jaar, waarop misschien wel de beroemdste en zeker de best beveiligde schrijver ter wereld – met zijn beeldschone vriendin Padma Lakshmi (30) – de eregast zal zijn.

Henk Kraima was bij zijn geboorte op 18 augustus 1950 nog ver verwijderd van de Amsterdamse grachtengordel, zowel geografisch als cultureel. Hij woonde tot zijn zesde in het dorpje Onderdendam in Noord-Groningen. De familie was niet bijzonder welgesteld, het dorp zeer gereformeerd. Kraima's eerste kennismaking met boeken verliep via zijn vader: die werkte als kweker en later groenteman in de streng gereformeerde gemeente, maar beheerde ook de bibliotheek van de plaatselijke kerk. De boeken die moreel ongeschikt waren voor de Groningse gelovigen, zoals For Whom the Bell Tolls van de schrijver Ernest Hemingway, belandden in de boekenkast van de familie. Zo groeide Henk Kraima op in de nabijheid van een verzameling `verboden boeken'. Later zou hij niet alleen de door moslim-fundamentalisten bedreigde Salman Rushdie fel verdedigen, maar zich ook nooit veel gelegen laten liggen aan protesten van christelijke boekwinkels tegen bijvoorbeeld seksscènes in boekenweekgeschenken.

In 1956 waagde de familie Kraima de sprong naar het westen: het gezin trok naar Amsterdam, waar de vader ging werken als trambestuurder. De bibliotheek in Amsterdam-West riep een grote leeshonger in Henk Kraima wakker: hij had niet genoeg aan het officiële quotum van drie boeken per week en riep de hulp in van vriendjes om op hun naam meer te kunnen lenen en lezen. In de zomer van 1968 deed Kraima eindexamen HBS-A en meldde hij zich bij de School voor de Journalistiek. De ambitieuze maar naar eigen zeggen dwarsige achttienjarige zei tijdens het toelatingsexamen provocerend (maar onwaar) dat De Telegraaf zijn favoriete dagblad was. ,,Een minuut later stond ik buiten'', vertelde Kraima in 1996 aan Matthijs van Nieuwkerk van Het Parool.

In plaats van de journalistiek werd het na een jaar werken en reizen uiteindelijk de marketing. Kraima kwam te werken op de pr-afdeling van de Hollandsche Sociëteit van Levensverzekeringen, een bedrijf dat in 1971 werd overgenomen door Delta Lloyd. Daar bleek zijn talent voor publiciteit: hij bracht onder meer een bungalowpark, een diamantbeleggingsplan en een rechtsbijstandsproject aan de man. Na vijf jaar werd hij gevraagd marketingmanager te worden, maar voor het leiden van een grote afdeling voelde hij weinig. Hij weigerde en zocht zijn heil elders.

Waar, dat wist hij nog niet precies. Dat het reclame zou zijn was hem wel duidelijk, maar dan liefst voor producten die hemzelf ook interesseerden. Kraima wil geen `huursoldaat' zijn, zegt hij zelf. De boekenwereld zou kunnen, maar wat was een goede uitgeverij? Kraima besloot de kwaliteit van de uitgeverijen uit de cijfers af te leiden: hij telde van welke uitgeverijen hij de meeste boeken bezat. Dat bleken Querido, De Bezige Bij en Meulenhoff te zijn. Het werd acht jaar Meulenhoff, waarin hij ook met de CPNB in aanraking kwam. Daar viel hij in de smaak.

,,Kraima werd ons aanbevolen'', zegt Dick Kok, destijds bestuurslid van de CPNB bij het aantreden van Kraima en enige tijd interim-directeur. ,,Ik kende hem niet echt, maar vond het belangrijk dat er een jong persoon zou komen die het wat verslonsde bureau goed op poten kon zetten. Niet het secretaristype dat er eerder wel zat.'' Er was tegenstand: ,,Kraima? Die ken ik niet, dus dat kan nooit iets wezen'', zei een uitgever. Samen met de voorzitter van het bestuur, uitgeefster Hens Gottmer, drukte Kok de benoeming van marketingman Kraima door. ,,We wilden iemand die zijn eigen gang durfde te gaan en dat is Henk zeker gebleken. Hij is steeds eigenwijzer geworden.''

De CPNB stond er slecht voor bij het aantreden van Kraima. In vijf jaar hadden evenzoveel mensen aan het roer van de organisatie gestaan en de uitgevers en boekhandelaren hadden laten weten dat de club wat hen betreft opgedoekt kon worden. De onbekende Kraima maakte in korte tijd naam als de grootste optimist van het wat zurige boekenvak, waar cultuurpessimisme al snel de overhand krijgt. Met een stijl die door Aad Nuis werd gekarakteriseerd als `open optimistisch, vindingrijk, aanvallend, overtuigd van eigen kracht'. En degelijk. Er mislukken opvallend weinig projecten bij de CPNB.

Kraima is een optimist, niet alleen van nature maar ook uit praktische overwegingen. Hij weet dat het met misantropie slecht boeken verkopen is. Dus stond Kraima vooraan om, toen het Sociaal en Cultureel Planbureau in 1996 een schrikbarende ontlezing in Nederland signaleerde, te beweren dat er juist steeds meer wordt gelezen. Of in ieder geval meer boeken worden verkocht. Bij dat optimisme hoort ook de voortdurende stijging van de oplage van het boekenweekgeschenk: van zo'n 450.000 in 1986 naar het recordaantal van 768.000 voor Harry Mulisch' Het theater, de brief en de waarheid in 2000. De oplage van Rushdie's Woede ligt iets lager, maar daar staat tegenover dat het met 250 bladzijden het dikste boekenweekgeschenk aller tijden is.

Kraima krijgt opvallend vaak gelijk; bijvoorbeeld bij de keuze van boekenweekthema's (een gewoonte die hij in 1986 in ere herstelde), met als uitschieter poëzie in 1994: vooraf weggehoond als onverkoopbaar, maar uitgegroeid tot een enorm succes. Het bureau van de CPNB aan de Keizersgracht, dat de helft van zijn activiteiten op kinderen en jongeren richt, vaak in samenwerking met andere instellingen, heeft hij de laatste jaren duidelijk gestructureerd. ,,Hij is zeker geen autoritaire directeur'', zegt Paulien Loerts, tot vorig jaar coördinator volwassenenprojecten van de CPNB. ,,Hij discussieert graag lang door op basis van argumenten.''

In 1999 eerde de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak Kraima met de D.A. Thiemeprijs, die sinds 1879 onregelmatig wordt uitgereikt aan uitgevers, boekhandelaren en boekpromotors. In de feestrede van voormalig staatssecretaris van Cultuur Aad Nuis kreeg Kraima alle lof voor de wijze waarop hij de CPNB uit het slop wist te halen: ,,Toen de nood het hoogst was, was Kraima nabij.''

Niet iedereen is tevreden over hem. Michaël Zeeman, redacteur van de Volkskrant, is er allerminst gelukkig mee hoe Kraima zijn stempel op de Nederlandse boekenwereld heeft gedrukt. ,,Kraima wil steeds een grotere bestsellerauteur voor het boekenweekgeschenk en dus moest hij na Mulisch vorig jaar wel naar het buitenland. Maar na Rushdie kun je eigenlijk alleen nog de bijbel nemen. Hij zit nu in de tredmolen en kan niet meer terug. Voor kritiek staat hij niet meer open.'' Dat is volgens Zeeman een gevolg van de lange tijd die Kraima inmiddels op zijn post zit. ,,Er had een paar jaar geleden al iemand anders moeten komen.''

,,Kraima denkt groots, maar ook weer niet zo heel groots'', zegt Hens Gottmer. ,,Want hij zit nog steeds bij de CPNB.'' Uitgever Joost Nijsen denkt dat Kraima erg aan zijn huidige baan gehecht is: ,,In zijn positie krijg je geregeld andere aanbiedingen, maar hij doet het nooit. Al is het mogelijk dat hij na de week met Rushdie iets anders gaat doen. Hij was erg verbaasd over de kritiek op zijn keuze, ik denk omdat hij Rushdie erg hoog heeft zitten. Niet alleen als bestsellerauteur, maar ook in literaire en in morele zin. Toen Rushdie getroffen werd door het doodvonnis van Khomeiny, heeft Henk zich dadelijk vierkant achter hem opgesteld. Voor een organisatie is het uiteraard een goed principe als er eens in de zoveel tijd van leidinggevende wordt gewisseld, maar ik denk dat het een enorm karwei zou worden om iemand met de capaciteiten van Kraima te vinden.''

Henk Kraima zelf zegt nooit iets interessanters aangeboden te hebben gekregen dan zijn huidige baan. Hij hoeft geen huursoldaat te zijn, vindt het aangenaam om op de fiets naar zijn werk te kunnen en een kantoor te hebben waar de ramen gewoon open kunnen. De afgelopen tijd werd hij nadrukkelijk in verband gebracht met uitgeverij De Arbeiderspers, die een directeur zoekt. ,,Er gaat de laatste drie weken bijna geen dag voorbij of die vraag wordt mij gesteld'', zei Kraima vorige week in het vaktijdschrift Boekblad. Op speculaties weigert hij in te gaan. Voorlopig is het dus nog de CPNB. Maar dat kan over drie maanden anders zijn, zegt hij. ,,Of over tien jaar.''