Ván de beurs

Sinds aandelenkoersen niet meer zo uitbundig stijgen, hoor je steeds vaker dat bedrijven van hun notering af willen. Ze willen dat hun aandelen terugkeren in de handen komen van een klein clubje van bekende aandeelhouders. Waarom?

In wezen gelden de argumenten vóór een notering even sterk bij een stijgende als bij een dalende beurs. Overnames doen door aandelenruil is immers ook aantrekkelijk als de koers van het overnamedoel sneller is gedaald dan die van je eigen bedrijf. Het gaat om de verhouding.

Ondernemingen die hun beursnotering beu zijn, zijn in het algemeen de bedrijven waarvan de koers het relatief het slechtst heeft gedaan. Dus: meer gedaald dan gemiddeld, bij soms heel heftige koersbewegingen, soms bij heel weinig koersbeweging.

In zo'n geval stapelt het ene nadeel zich op het andere. Als een bedrijf niet veel goed nieuws te melden heeft, of gewoon heel weinig loslaat over de gang van zaken, dan verliezen beleggers hun belangstelling. De koers houdt die van andere bedrijven niet bij en de handel in het aandeel loopt terug. Dat laatste is dan weer een reden voor verdere koersdaling, want beleggers hebben een hekel aan stukken die niet snel te verhandelen zijn.

Als een aandeel zover daalt dat beleggers het bedrijf eigenlijk lager waarderen dan een bedrijfstaxateur zou doen, doemt het gevaar op van een vijandige overname. Dan verliest het bedrijf zijn zelfstandigheid en worden de directeuren tot filiaalhouders. Dat is een spookbeeld. Als dat voorkomen kan worden door het bedrijf van de beurs te halen, doet men het graag. Opportunisme is in het bedrijfsleven geen slechte eigenschap.