`Schuld' en aftreden

EEN HALF etmaal na de ramp had de Portugese minister van Publieke Werken, Jorge Coelho, begin deze week zijn conclusie reeds getrokken. Hij aanvaardde de volledige politieke verantwoordelijkheid voor het instorten van een brug waarbij zeventig doden vielen, en trad af. Zo kan het dus ook. De relatief nog jonge democratie Portugal liet zien hoe op een volwassen wijze met het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid moet worden omgegaan.

Ook de Enschedese wethouder Buursink weet wat politieke verantwoordelijkheid inhoudt. Hij maakte vorige week zijn aftreden bekend na de publicatie van het rapport van de commissie Oosting die de vuurwerkramp in Enschede onderzocht. Buursink, die in de periode 1994-1998 als wethouder verantwoordelijk was voor de milieuvergunningen, wilde met zijn stap ,,zichtbaar'' maken dat het rapport van de onderzoekscommissie er toe doet.

Dat het geen logische stap was en Buursink voorlopig nog als witte raaf moet worden beschouwd, blijkt wel uit de reactie die de Enschedese burgemeester Mans gaf op het aftreden van `zijn' wethouder. Deze verklaarde namelijk dat hij Buursink nog ,,binnenboord'' had proberen te houden. Het maakt duidelijk dat het nemen van politieke verantwoordelijkheid toch vooral een kwestie van persoonlijke afweging is. Ten onrechte.

HET IS ZO langzamerhand een vertrouwde volgorde in Nederland geworden. Allereerst is er het incident, daarna volgen onderzoek en kritische conclusies om ten slotte te resulteren in een periode van politieke krampachtigheid. Want altijd is er weer die vraag of er ook politieke consequenties moeten worden getrokken uit het geconstateerde falen.

Als die vraag gesteld moet worden is het in veel gevallen eigenlijk al te laat. Is sommig falen immers niet zo evident dat niet eens onderzoek hoeft te worden afgewacht? In Enschede trad een wethouder af na presentatie van het onderzoeksrapport. Maar dat de gemeente ernstig nalatig was geweest, had de ramp zelf al wel duidelijk gemaakt. Anders gezegd: de vorige week afgetreden wethouder Buursink heeft zich zuiver in de leer getoond. Nog zuiverder was het echter geweest als hij direct na de ramp was opgestapt.

In dit verband is de Enschedese casus interessant voor de verdere jurisprudentie rondom het begrip politieke verantwoordelijkheid. Zo hebben bijvoorbeeld burgemeester Mans en andere wethouders het besluit over hun politieke toekomst afhankelijk gemaakt van het komende debat in de gemeenteraad over het rapport-Oosting. Maar als dat de bepalende factor is gaat het hun niet om het nemen van politieke verantwoordelijkheid, maar om de vertrouwensvraag. Het zijn verschillende afwegingen, die ook in de landelijke politiek wel met elkaar worden verward. Zo gaat de in 1996 afgetreden staatssecretaris Linschoten van Sociale Zaken door het leven als degene die consequenties trok uit de toen spelende CTSV-affaire. De werkelijkheid is dat hij vertrok omdat hem onvoldoende vertrouwen in de Tweede Kamer was gebleken voor zijn optreden in deze kwestie.

IN DE DISCUSSIES over politieke verantwoordelijkheid wordt te vaak een rol gespeeld door de misvatting dat het nemen van verantwoordelijkheid tevens een verklaring van persoonlijke schuld inhoudt. Vanzelfsprekend kunnen politieke bestuurders niet op de hoogte zijn van alle verrichtingen van hun ambtelijke apparaten. Maar ze zijn wel verantwoordelijk, hoe `onrechtvaardig' dit ook soms kan uitpakken. Zoals SGP-fractievoorzitter Van der Vlies enkele jaren geleden tijdens een debat in de Tweede Kamer stelde: ,,Wie niet met die fictie uit de voeten kan, zou het ambt van dienaar van de kroon niet moeten bekleden.''

Aftreden van een politiek verantwoordelijke moet niet beschouwd worden als een persoonlijke straf maar als de welbekende `zweepslag' voor de ambtelijke dienst, die op vele fronten louterend kan werken. Het is jammer dat dit besef in de Nederlandse politieke cultuur maar zo moeilijk wil doordringen.