SCANS WIJZEN UIT DAT ALLOSAURUS GEEN DOORBIJTER WAS

Lang niet alle vleesetende sauriërs konden hard bijten. Dat blijkt uit een biomechanische analyse van de schedel (en in het bijzonder de samenhang tussen schedel en onderkaak) die Amerikaanse onderzoekers met nieuwe technieken hebben toegepast op een exemplaar van Allosaurus fragilis. Deze sauriër, waarvan in het Museon in Den Haag een fraai exemplaar staat tentoongesteld, leefde gedurende het Laat-Jura, ongeveer 150 miljoen jaar geleden.

De onderzoekers, aardwetenschappers en biomedici, maakten CT-scans van de schedel van de sauriër. Met deze techniek wordt de vorm via niet-destructieve scanning in zeer dunne plakjes opgenomen. Door de `plakjes' te combineren, ontstaat een nauwkeurig 3D-beeld.

Ook deelden de onderzoekers de schedel en de kaak op in zeer kleine gebiedjes (zie afbeelding). In combinatie met gegevens van de materiaaleigenschappen die de schedel van Allosaurus tijdens zijn leven gehad moet hebben, en uitgaande van de krachten die de spieren van de kaak theoretisch moeten hebben uitgeoefend, konden de onderzoekers de krachten berekenen waaraan alle onderdelen van de schedel van het dier blootgesteld moeten zijn geweest tijdens het grijpen van zijn prooi en het verorberen daarvan.

Aanvankelijk veronderstelden paleontologen dat Allosaurus een bijtkracht had die vergelijkbaar is met die van Tyrannosaurus rex. Het was immers een jager met meer dan 80 messcherpe tanden die op dolken lijken. Bovendien is uit sporen op de tanden bekend dat deze soort zeer grote sauriërs als prooi had, zoals Apatosaurus (bij het publiek beter bekend onder zijn oude naam Brontosaurus).

De werkelijkheid blijkt minder dramatisch: Allosaurus had zeker niet de bijtkracht van Tyrannosaurus, en evenmin die van een recente alligator (Alligator missippiensis). Veeleer moet worden gedacht aan een bijtkracht zoals die van een wolf. De schedel was volgens de berekeningen niettemin bestand tegen zeer grote krachten. De onderzoekers menen op basis van de bouw dat Allosaurus zijn prooi op een vergelijkbare wijze ving als de Komodo-varaan: hij greep zijn prooi ergens in de weke delen, en trok zijn tanden daar met grote kracht doorheen, zodat zeer grote wonden ontstonden waardoor de prooi als gevolg van bloedverlies snel verzwakte of stierf.