Potten bakken

Toen de eerste gastarbeiders hun gezinnen hier naar toe haalden, verwachtten velen ooit naar hun vaderland te zullen terugkeren. Het was dus belangrijk dat de kinderen voeling hielden met hun wortels. Daarom kregen ze les in eigen taal en cultuur. Al vlug werd duidelijk dat blijven de regel en terugkeren de uitzondering zou worden. Dus hielden we op met dat onderwijs in eigen taal en cultuur. Dat zou je verwachten, maar zo eenvoudig ligt dat niet. Allochtonen vormen al jaar en dag de geliefde knuffelobjecten van de politiek. Die mag je niets afnemen. Dus moest het logische afschaffen plaats maken voor aanpassing aan de gewijzigde omstandigheden.

Gemeenten krijgen in totaal 135 miljoen per jaar om deze onzinnige erfenis om te bouwen tot iets anders. Iets zinnigs, wilde ik schrijven, maar die eis wordt helemaal niet gesteld. De gemeentelijke (deelraad) onderwijshobbyisten mogen dat allemaal zelf bedenken. Daarbij hebben zij de keuze uit twee mogelijke modellen. De allochtone taal mag worden onderwezen tijdens schooltijd indien het dient ter ondersteuning van het Nederlands. Is dit niet het geval dan moet het buiten schooltijd worden onderwezen. Uiteraard stelt de centrale overheid de eis van een polderiaanse aanpak. Iedereen moet dus mee mogen praten: ouders, scholen, migrantenorganisaties.

Nu is het niet zo verwonderlijk dat vrijwel iedereen die lessen het liefst onder schooltijd wil zien: de gemeenten want die hoeven dan niets te organiseren, de school want dan is er weer lestijd gevuld, wat ook prettig is gezien de tekorten aan leerkrachten. Voor ouders is het gemakkelijker want anders moeten ze hun kinderen na school weer ergens anders naar toe brengen, en de leraren die dat vak geven willen natuurlijk helemaal onder schooltijd zodat leerlingen verplicht zijn te komen, anders gaan ze voetballen, staan de leraren voor een lege klas en raken ze hun baan kwijt. Dus iedereen wil de moedertaal als ondersteunend zien. Dat wil natuurlijk ook het beleid: allochtonen hebben achterstand dus wat is mooier dan kunnen zeggen dat daar iets aan gedaan wordt. Probleem is alleen dat veel van die docenten dat absoluut niet kunnen omdat ze niet, nauwelijks of gebrekkig Nederlands spreken. Bovendien berust de gedachte dat die lessen in de eigen taal überhaupt bijdragen aan het leren van Nederlands alleen maar op een geloof gekoesterd door enkele linguïsten tot wie ook de Amsterdamse hoogleraar René Appel behoort. Dat meende ik tenminste ooit te hebben gelezen, maar toen ik dat in een interview zei, reageerde hij heel stellig: zoiets had hij nooit verkondigd. Hiervoor alsnog mijn excuses.

Die taalondersteuning is dus een non-argument, maar wordt toch allerwegen gebruikt, gewoon omdat het iedereen goed uitkomt. Dat is erg, maar het is allemaal nog veel erger. In een onlangs verschenen, leerzame studie over dit onderwerp van het Sociaal Cultureel Planbureau, staat te lezen dat inmiddels in het gros van de Turkse en Marokkaanse migrantengezinnen thuis Nederlands wordt gesproken. Hoe kan in hemelsnaam een taal die ze ook thuis niet spreken dienen ter ondersteuning van het aanleren van het Nederlands? Onmiddellijk afschaffen dus.

Overigens kan ik me goed voorstellen dat er ouders zijn uit bijvoorbeeld Turkije die het belangrijk vinden dat hun kinderen Turks leren. Een gemeente kan iets dergelijks subsidiëren, zoals zij dat ook doet bij zo veel andere culturele activiteiten, maar met onderwijs heeft het net zo weinig te maken als volksdansen of pottenbakken.

hetveld@nrc.nl