Perifeer smakelijk

ONLANGS BRACHT de afdeling volkshygiëne van het centraal AW-laboratorium een makkelijk leesbare ministudie uit over de aanwezigheid van resten insecticiden op handfruit. Een nieuwe activiteit van het labo, passend in de tijdgeest.

De prettig gepresenteerde inzichten waren geheel uit andermans werk geplukt en de conclusie was dat het verstandig is Hollandse waar te kopen: de fruitteler hier houdt aantoonbaar maat met zijn gewasbescherming. In Zuid-Europa gaat hij als een beest tekeer. Niet zelden koopt men daar druiven die sterker naar zwavel ruiken dan vroeger de lucifers.

Veel van de insecticiden die worden toegepast verschillen in hun werking niet van de strijdmiddelen tabun, sarin en soman en het is nergens voor nodig kinderen daarvan meer te laten eten dan nodig is. Het advies was: vreemd fruit altijd wassen met water en zeep of anders schillen. Of overgaan op biologisch geteeld fruit. Bij dat laatste was de kanttekening gemaakt dat op dat fruit helaas weer wat meer natuurlijke schimmelgiffen kunnen voorkomen, maar dat is helemaal niet waar, schrijft de stichting Natuur en Milieu met de hand op een rapport van van de Europese Commissie. Op onbespoten fruit zitten niet meer mycotoxinen dan op geholpen fruit. Wetenschappelijk vastgesteld.

Uit andere hoek kwam kritiek op het schiladvies. Juist in en onder de schil bevinden zich de gezondste bestanddelen van de vrucht, schrijft een technicus: vitamines, anti-oxidanten, de hele bups. Dat is ook logisch want alleen via zijn buitenkant kan een vrucht gewenste zaadverspreiders verleiden of ongewenste vreters afschrikken of bestraffen.

In open bronnen is voor de stelling niet zo veel steun te vinden, maar dat hoeft vandaag ook niet. Het gaat om het plotselinge inzicht dat fruit inderdaad voornamelijk of bijna uitsluitend via de buitenkant met bevriende of bedreigende dieren communiceren kan. Dat bracht de AW-redactie onbedoeld terug bij een vreemd vraagstuk dat al lang op aanpak wacht: de waarneming dat er – afgezien van tal van fruit waarmee helemaal niets bijzonders aan de hand is – zoveel vruchten zijn, vlezige vruchten om precies te zijn, die altijd vooral aan de buitenkant smakelijk zijn en zoveel andere vruchten die altijd pas dichtbij de kern een beetje genietbaar worden. Centraal smakelijk is bij uitstek de meloen en verder de avocado, de komkommer en de tomaat. Perifeer smakelijk is vooral de ananas, de kiwi en ook vaak de appel die een donders wrang klokhuis kan hebben.

De tijd van ruimvallende evolutionaire beschouwingen is een beetje voorbij, Hillenius zwijgt als het graf, maar dit is toch een eigenaardigheid waarvan men graag het nut of de betekenis wil kennen. Vooropgesteld dat het de bedoeling van de plant-met-vlezige-eetbare-vruchten is haar zaden door dieren te laten verspreiden, en dat het de zaadverspreidende dieren zelf om het vruchtvlees en niet het zaad is te doen, valt niet goed in te zien hoe de uitsluitend perifeer smakelijke vrucht van de dieren gedaan krijgt wat de bedoeling is.

Of om het simpeler te stellen: waarom een vrucht lekker maken aan de buitenkant, maar zo vies in het midden dat Het Dier niet dooreet. Of andersom: lekker in het midden maar zo vies aan de buitenkant dat Het Dier er niet eens aan begint? Wat is de idee achter de meloen?

Het evolutiedebat dat zich in de jaren zeventig in dit dagblad ontvouwde heeft aangetoond dat men in evolutionaire beschouwingen niet voorzichtig genoeg kan zijn. Links en rechts gapen voetangels en valkuilen. Het begrip `smakelijk' is antropomorf, veel plantendelen zijn smakelijk zonder dat dat de bedoeling van de plant is. Enzovoort. De vraag die hier niet gepasseerd mag worden is of niet elke grote vlezige vrucht een monstruositeit is, het eindresultaat van duizenden jaren veredeling waaraan geen natuurlijke selectie te pas kwam. Komen er in de natuur van nature wel grote vlezige vruchten voor?

Het is Hans Kruijer van het Nationaal Herbarium Nederland in Leiden die graag meedenkt over het probleem. Vooral in de tropen, zegt hij, komen nogal wat bomen en struiken voor met heel grote vruchten. De referenties die hij toefaxt noemen de doerian (35 cm), de papaja (50 cm) en de broodvrucht en de zuurzak (nog groter). Het probleem is dat bijna nooit is uit te sluiten dat de mens daaraan in een prehistorisch cultuurprogramma een bijdrage heeft geleverd. Veel van wat nu wild lijkt was misschien vroeger tam.

Dat was één. Wat je vervolgens moet zien te weten te komen is of de vlezigheid van de vlezige vrucht überhaupt wel voor een dier bedoeld is. Dat hoeft helemaal niet het geval te zijn. De cocosnoot gebruikt zijn cocosvezels en cocosvlees om op verre stranden verzekerd te zijn van een minimum aan voedingsstoffen. Er valt aan toe te voegen dat er nogal wat planten zijn die godweetwaarom giftige vruchten voortbrengen.

Als je aan verspreiding door dieren denkt, doceert Kruijer, is het zaak niet altijd alleen maar aan vogels te denken, aan lijsters die lijsterbessen eten, maar ook aan zoiets als vleermuizen en vooral: apen. Of nog grotere dieren die het fruit pas tegenkomen als het als gevallen vrucht op de grond ligt. Tapirs, varkentjes en what have you. Dat soort dieren verspreidt niet zozeer het zaad (via de uitwerpselen) maar versleept de vrucht. Daarom hoeft die vrucht niet helemaal opgegeten te worden. Hij mag wrang zijn in het midden.

Vruchten die juist centraal het lekkerst zijn, voegt de sectie AW hier op eigen denkkracht aan toe, profiteren misschien van het goede geheugen van het bedoelde verspreidingsdier. Vroeg of laat zal die toch wel onthouden dat niet elke vieze vrucht door-en-door vies is. Per slot rekenen ook nogal wat planten, van het soort okkernoot, hazelnoot en eikel, juist op de vergeetachtigheid. Daar is immers, interessant genoeg, niet de vrucht lekker maar het zaad zelf. Gevaarlijker kan het niet, tenzij je wordt verzameld door notoir vergeetachtige eekhoorntjes en vlaamse gaaien.

Opnieuw is vandaag aangetoond dat je met de evolutie alle kanten op kunt. Volgende week: waar zit eigenlijk het zaad van banaan. En van de ananas.