Naar de beurs

Toen de aandelenkoersen flink stegen wilde elk bedrijf met ambities, maar zonder `notering', zo snel mogelijk naar de beurs. Nu de aandelenkoersen dalen hoor je steeds vaker over bedrijven die van hun beursnotering afwillen. Wat is dat voor opportunisme? En waarom wilden die bedrijven aanvankelijk überhaupt genoteerd zijn?

Als een bedrijf naar de beurs gaat – een `notering' krijgt – dan gebeurt er met het bedrijf zelf in principe niets; het enige dat verandert is dat de aandelen van het bedrijf continu en publiekelijk verhandelbaar kunnen worden. Iedereen kan dan aandeelhouder worden.

Dat dit weinig zinvol is voor een familiebedrijfje met zeven nichten en neven als aandeelhouder spreekt haast voor zich. Ten eerste zal er zelden een pakket van eigenaar wisselen, en als dat gebeurt vraagt men een bedrijfstaxateur de waarde te bepalen. Ten tweede zal het doorsnee familiebedrijf zelden nieuw eigen vermogen vragen. Dat is slechts aan de orde als het bedrijf zwaar moet investeren in uitbreidingen of in de overname van een concurrent.

Als dat al voorkomt, dan betaalt men die groei liever uit ingehouden winsten, met bankkrediet, of desnoods met geld van buitenstaanders, zoals een vermogende particulier of een participatiemaatschappij.

Maar het is dus voorstelbaar dat een niet-genoteerd bedrijf als het wat groter wordt vaker met fusies en overnames te maken krijgt, zodat er regelmatig `vreemde' aandeelhouders bijkomen. Dan zijn aandelentransacties vaker aan de orde. En als er veel aandeelhouders zijn, zal het ook frequenter voorkomen dat iemand geld nodig heeft, dus zijn pakket wil verkopen. Om dan voor een faire prijsbepaling steeds een taxateur in te huren, wordt begrotelijk. Er moet eigenlijk een vrije vraag-aanbod situatie gecreëerd worden. Een soort markt. Dat kan `onderhands'. Dan worden alle andere aandeelhouders uitgenodigd mee te bieden.

Maar een betere prijs krijg je wellicht als de hele wereld kan meebieden. Op dat moment is het idee geboren dat een beursnotering aantrekkelijk zou zijn. Want de beurs is de plek waar beleggers komen die graag geld in bedrijven steken – zij het dat ze hechten aan de mogelijkheid op elk gewenst moment hun belangen te verkopen. Loyaliteit kent de beursbelegger niet.

Voor bedrijven die in sterk expanderende markten werken, is een beursnotering bijna noodzakelijk. Er is veel aandeelhouderskapitaal nodig om de groei te financieren.

Bovendien kunnen overnames gepleegd worden door aandelenruil! Als een bedrijf het geluk heeft dat de koers van zijn aandelen sneller stijgt dan die van een over te nemen bedrijf, dan kunnen in ruil voor weinig eigen aandelen, heel veel aandelen van het over te nemen bedrijf verkregen worden. Vooral dat is de magische attractie van een beursnotering.