Muursla en fluitekruid

Een veldgids moet zijn bruikbaarheid in de praktijk bewijzen. Voor het beoordelen van een veldgids voor Nederlandse planten is de winter dus niet het beste seizoen. Niettemin valt er droogzwemmend wel wat te zeggen over de methode en indeling, consistentie en duidelijkheid van zo'n gids, die bepalen hoe gemakkelijk de gebruiker er planten mee kan identificeren.

De toonaangevende Nederlandse flora en leidraad voor floristen is Heukels' Flora van Nederland. Toegankelijker en populair bij leken is de dikke, langwerpige flora van Heimans, Heinsius en Thijsse. Samen bedienen zij adequaat de geoefende en beginnende plantenliefhebber. Wat kan een nieuw determinatiewerk nog toevoegen?

De Veldgids Nederlandse flora van Eggelte bestrijkt alle wilde vaatplanten van Nederland en een aantal cultuurplanten. De selectie is niet opvallend anders dan die van de gangbare flora's. De Heukels doet minder aan cultuurplanten, de H.H.T. strekt zich uitdrukkelijk uit tot België, Luxemburg en aangrenzend Duitsland en Frankrijk. Voor de naamgeving heeft Eggelte de laatste druk van de Heukels gevolgd, zij het dat hij de Nederlandse plantennamen in de oude spelling heeft geschreven. Geen Fluitenkruid dus, maar Fluitekruid. Een principekwestie. Een zekere eigenzinnigheid zal naast een grote gedrevenheid bepalend zijn geweest voor het ontstaan van de gids.

De gids is bedoeld voor iedereen die aardigheid heeft in het op naam brengen van planten en richt zich net als de H.H.T. vooral op beginners. Het belangrijkste verschil met de andere twee flora's is de opzet van de determinatiesleutels. De Heukels en de H.H.T. werken met dichotome sleutels, die bij elke stap de keuze geven uit twee elkaar uitsluitende alternatieven. Via de hoofdsleutel en een van de deelsleutels kom je op het niveau van de families uit, vervolgens op een geslacht en tenslotte op een soort. De rangschikking van de verschillende taxonomische eenheden berust op hun mate van verwantschap en veronderstelde ontwikkeling in de evolutie.

Eggelte heeft zich op de Engelse gids van Hayward A New Key to Wild Flowers gebaseerd en een vergelijkbare toegangscode voor de Nederlandse flora ontwikkeld. De sleutels van zijn veldgids zijn laddervormig opgezet en geven per stap één kenmerk of groepje kenmerken. Ook hier zijn een hoofdsleutel, groepssleutels en familiesleutels opgenomen. De bepaling van het geslacht blijft in dit systeem achterwege, de familiesleutels leiden direct tot soorten. Volgens Eggelte wordt zo de determinatieroute bekort. Toetsing aan de hand van een voorbeeld wees anders uit. Zet je voor de familie van de Kruisbloemen (Brassicaceae) alle determinatiestappen in een schema – een bewerkelijke operatie die alleen door het thuisfront in te schakelen uitvoerbaar was – en bereken je het aantal stappen dat gemiddeld nodig is om tot op de soort te determineren, dan blijken dat er voor de Heukels acht en voor de veldgids twaalf te zijn. (De H.H.T. bleef buiten beschouwing, omdat niet de meest recente druk voorhanden was.)

Omdat de veldgids ruim gebruik maakt van handige vegetatieve kenmerken en het bepalen van geslachtelijke kenmerken waar mogelijk omzeilt, zijn de sleutels wel gemakkelijker te hanteren. Ook ogen ze beter dan de grijze lijsten van de Heukels en wordt de beginnershand er gauwer mee gevuld. Op de rechterpagina zijn steeds de stappen afgedrukt, terwijl op de linkerpagina de corresponderende soorten zijn afgebeeld. Je kunt in één oogopslag de consequenties van je keuzes overzien. De nadruk op handige veldkenmerken heeft een klein bezwaar. Sleutels zoals in de veldgids kunnen bij toepassing op planten die niet in de selectie zitten, bijvoorbeeld in het buitenland of op tuinplanten, bizarre uitkomsten opleveren. De Heukels en de H.T.T. leiden in dat geval vaker tot de juiste familie en het juiste geslacht.

Een fundamenteler bezwaar is dat de gebruiker een beperkt beeld krijgt van wat ik maar de natuurlijke samenhang in de plantenwereld zal noemen. Verwante soorten staan niet per se bij elkaar. Dat ze een natuurlijke groep vormen blijkt alleen uit hun wetenschappelijke geslachtsnaam. Waar de Heukels en de H.H.T. van alle families de belangrijkste kenmerken beschrijven, doet de veldgids dat alleen voor de meest soortenrijke families. Soorten met weinig verwanten staan er wat verloren bij, omdat een referentiekader ontbreekt.

Van de ruim 50 families waarvoor in de veldgids sleutels zijn opgenomen zijn puntsgewijs de meest opvallende kenmerken vermeld. Bij notoire probleemgroepen als de grassen en de cypergrassen heeft Eggelte bovendien schematische tekeningen van voor de determinatie cruciale onderdelen toegevoegd. Het is jammer dat hij niet net als Hayward meer plaats voor detailtekeningen heeft ingeruimd. Ook de sleutels zelf hadden hierdoor nog aan duidelijkheid gewonnen. Nu moet de gebruiker vaak te rade gaan bij een botanische termenlijst die niet bijster toegankelijk is. Wat wordt verstaan onder `liervormig', een `gevorkt bijscherm' of iets simpels als een `hauw', blijft in woorden uitgelegd cryptisch. Zelfs de wetenschappelijke Heukels is in dit opzicht gebruikersvriendelijker dankzij glasheldere tekeningen van de verschillende bladvormen, bloeiwijzen en vruchtbeginsels.

De enige praktische test die ik heb uitgevoerd bracht een kapitale drukfout in de sleutel van de Composietenfamilie aan het licht. Fietsend over de Waaldijk in de tweede week van januari trof ik behalve honderden ganzen, zwanen en eenden alleen de diehards Boerenwormkruid en Madeliefje in determineerbare toestand aan. In de bijpassende sleutel bleek de verwijzing naar de groepen 1, 2 en 3 onjuist en die naar de groepen 4, 5 en 6 geheel te zijn weggevallen. De beginner die zich straks enthousiast op Klein hoefblad werpt, een van de eerste voorjaarsbloeiers en ook een Composiet, raakt meteen gedesillusioneerd. Misschien kunnen de exemplaren van de gids die nog niet in de winkel liggen van een erratum worden voorzien.

Voor het op naam brengen van een plant is het niet strikt nodig te weten in wat voor landschap en welk type milieu de soort voorkomt. Meer informatie geeft wel de mogelijkheid de uitkomst van de determinatie te verifiëren. Eggelte geeft bij de afbeeldingen van de soorten een indicatie van de bloeiperiode en de grootte van de planten. Coderingen bij de soortnaam zeggen iets over de zeldzaamheid, het landschapstype en de abiotische omstandigheden. Zelf lees ik liever beschrijvingen als ``op min of meer droge, voedselarme zandgrond in heidevelden en bermen, zelden in lichte loofbossen'' (Heukels) of ``op droge, stenige plaatsen en ruigten; soms bij duizenden, als een bezaaide akker en dan hoog'' (H.H.T), maar de codes volstaan voor het gebruik. De veldgids is niet bedoeld als naslagwerk. Voor een tekening in kleur en aanvullende informatie verwijst Eggelte terecht naar de Nederlandse Oecologische Flora, al is dit standaardwerk inmiddels niet meer leverbaar. Er is vraag naar, dat blijkt wel weer, en het wordt tijd voor een herdruk.

Voor een volgende druk van de veldgids wil ik een drastische herziening van het register van Nederlandse namen bepleiten. Het zou overzichtelijker zijn bij de alfabetische rangschikking uit te gaan van de volledige Nederlandse naam. Nu staan Groot hoefblad en Klein hoefblad samen onder Hoefblad vermeld, blijft de Bosanemoon ongenoemd, zelfs onder Anemoon, staat Muurpeper onder Muurpeper, maar Muursla onder Sla(muur), terwijl alle soorten klokjes onder Klokje zijn gerubriceerd, behalve het Sneeuwklokje dat Sneeuwklokje mocht blijven. Geen touw aan vast te knopen. Ook is het handiger in de registers naar paginanummers te verwijzen, in plaats van naar de sleutels.

Veldgids Nederlandse Flora; Henk Eggelte; Illustraties van Dagny Tande Lid; uitgave Stichting Uitgeverij KNNV; ISBN 90 5011 135 1; prijs: ƒ69,50.