Hollands Dagboek: Erik Schouten

Erik Schouten (38) studeerde genees- kunde in Amsterdam en Londen en werkte daarna als arts in Zaïre (het huidige Congo), Rwanda en Georgië. Sinds anderhalf jaar werkt hij voor de Wereldgezondheidsorganisatie van de VN in Kosovo. Hij woont samen zijn vriendin Wina Sangala, die in Kosovo voor UNICEF actief is.

Woensdag 28 februari

Gisteravond is een ouder Servisch echtpaar dood in hun huis aangetroffen. Met stokken doodgeslagen. De afgelopen weken is het aantal aanslagen toegenomen, ruim een week geleden kwamen elf mensen om bij een aanslag op een bus. De wraaknemingen gaan onverminderd door in Kosovo en dit doet het verzoeningsproces geen goed. Mijn hoop op verbeteringen in de relatie tussen Servië en Kosovo na de verkiezing van Koštunica is de afgelopen maanden snel verminderd. Gelukkig zijn er ook positieve ontwikkelingen, zoals de verbeterde samenwerking tussen Albanese en Servische artsen in sommige districten. Maar de successen zijn fragiel en worden ondermijnd door hardliners van beide kanten.

Deze week moet ik zo'n veertig medewerkers ontslaan en een aantal van onze programma's stopzetten omdat we dit jaar geen nieuwe financiering krijgen. Goede professionals, onder wie enkele vrienden, moet ik vertellen dat ze over zes weken werkloos zijn. Een moeilijk en pijnlijk proces. De keuze valt op een programma voor verbetering van de medische zorg aan zwangeren, pasgeborenen en kinderen. Officieel ondersteunt UNICEF deze programma's, maar tot nu toe hebben ze niet meer dan 10 procent van alle kosten voor hun rekening genomen. De World Health Organization (WHO) heeft onvoldoende geld om alleen door te gaan. Het tweede programma is de ondersteuning van gemeentes bij het vaccinatieprogramma, het tuberculoseprogramma, controle op veilig drinkwater en voedsel, enz. Het zijn taken die ze in het kader van de nieuwe gemeentewet moeten uitvoeren, maar waar ze onvoldoende ervaring mee hebben.

Niet alleen de WHO kampt met de afnemende geldstroom. Ook veel andere hulporganisaties moeten programma's afbouwen. Het is onbegrijpelijk en onverantwoord dat donoren die vorig jaar nog veel geld hadden voor Kosovo, plotseling andere prioriteiten hebben. Er wonen nog steeds mensen in tenten, en maar 10 procent van de nog te repareren huizen kan dit jaar met internationale steun worden opgeknapt.

Het is mij de afgelopen jaren steeds duidelijker geworden dat veel internationale hulp slechts gebaseerd is op politieke overwegingen. Nu de aandacht is verplaatst naar Joegoslavië en het aanhoudende geweld in en rond Kosovo de etnische Albanezen in een niet al te gunstig daglicht zet, gaat de geldkraan dicht. De periode van noodhulp is misschien over, maar de nood onder de Kosovaarse bevolking is nog steeds erg hoog. Naast de hoge moeder-en kindsterfte is het aantal gevaccineerde kinderen veel te laag en hebben velen zeer moeilijk toegang tot gezondheidszorg. Door armoede of door veiligheidsproblemen. Kosovo is een doorvoerland voor drugs, vooral heroïne, naar West-Europa en het aantal drugsgebruikers neemt angstaanjagend snel toe. In een recent onderzoek onder scholieren (14 tot 18 jaar) zei 5 procent ooit heroïne gebruikt te hebben. Dat is erg veel, verder onderzoek en plannen om daar wat aan te doen zijn hard nodig.

Ik werk nu bijna anderhalf jaar in Kosovo en over een half jaar loopt mijn contract af. Twee jaar werken in Kosovo is genoeg, ik merk dat ik langzamerhand steeds vermoeider ben geworden. Vandaag krijg ik te horen dat er een goede kans bestaat dat ik over enkele maanden een baan kan krijgen in Harare. 's Avonds vertel ik het Wina, ze is uitgelaten. De helft van haar familie woont in het nabijgelegen Malawi. We praten, drinken en fantaseren tot diep in de nacht over ons toekomstig leven in Afrika.

Donderdag

Vandaag praten we met alle medewerkers en vertellen hun het slechte nieuws. De reacties zijn wisselend: gelatenheid, woede en tranen. Ik weet dat de reden een andere is, maar toch bekruipt me een schuldgevoel, is het immers niet mijn taak om geld binnen te krijgen? Gedurende de dag ontwikkel ik een knallende koppijn en ik ben blij als ik op tijd naar huis toe kan.

Ik probeer Nin, mijn zusje, te bellen, maar deze dagen lukt het bijna niet om vanuit Kosovo naar het buitenland te bellen. Meestal lukt het wel als je maar blijft proberen. Het zit me vandaag echter niet mee.

Vrijdag

Vanmorgen rond ik de laatste zaken over de ontslagen af met hulp van Jan, Pino en Sundaram die bij het Europese hoofdkantoor van de WHO werken en de afgelopen week in Kosovo zijn geweest. Het kantoor lijkt leeg als het bezoek uit Kopenhagen is vertrokken en ik werk met tegenzin aan het schrijven van enkele nieuwe projecten. Vergeefse moeite?

Wina vertrekt vanmiddag voor een lang weekend met een collega naar Thessaloniki in Griekenland, ongeveer 5 uur rijden vanaf Priština. Ik moet het weekend werken en zij heeft veel zin er even tussenuit te gaan.

Zaterdag

De afgelopen twee weken heeft het veel gesneeuwd en er ligt op sommige plekken wel een meter. Vandaag is het plotseling prachtig lenteweer en 15 graden warmer dan de afgelopen dagen. Met een paar collega's rij ik naar Gjakova om een centrum voor geestelijke gezondheidszorg te bezoeken. Later rijden we naar het centrum van Gjakova. Veel van de gebouwen met prachtige houten gevels zijn platgebrand in de oorlog. Gelukkig worden ze in de oorsponkelijke staat herbouwd. We drinken koffie in een van de vele cafés en ik spreek met een paar van mijn collega's die over zes weken hun baan zullen verliezen. Anne, een Belgische dokter, heeft al een aanbieding gekregen om in Guinea te gaan werken. Bimi kan mogelijk aan de slag bij Cordaid, een Nederlandse organisatie. De komende weken zal ik mijn uiterste best doen om een aantal van de ontslagen collega's aan een nieuwe baan te helpen.

Laat in de middag vertrek ik naar vrienden in Peja, een uurtje rijden vanuit Gjakova. De weg naar Peja is veranderd in een snelstromende rivier. De sneeuw smelt snel en veel mensen proberen hun huizen te beschermen tegen het stijgende water.

Zondag

Ik word vroeg wakker als Xhevdet, mijn vriend en (binnenkort ex-)collega, de woonkamer binnenkomt en koffie maakt. Bij het ontbijt komen herinneringen naar boven. Morgen is het islamitische offerfeest. Precies twee jaar geleden begon het NAVO-bombardement en Xhevdet en zijn vrouw Sanija vertellen me over die traumatische periode waarin Sanija lange tijd gescheiden is geweest van Xhevdet en hun dochter Hanna. Die periode heeft hen onverschillig gemaakt. Xhevdet vertelt me: `Jij maakt je zorgen dat je me moest ontslaan, maar dat is niets in vergelijking wat wij hebben meegemaakt.' Voor het eerst hoor ik het verhaal over zijn vriend die op deze dag door Serviërs gedood is door hem de keel door te snijden. Net als de schapen morgen op het islamitische offerfeest.

Op de terugweg naar Priština denk ik over al het geweld en de wreedheden in Kosovo en de Balkan. Ik rijd langs de stille getuigen van de oorlog, verbrande huizen en een vernielde kerk. Kosovo, niet veel meer dan een dag rijden van Nederland, maar tegelijkertijd zo ver weg.

's Avonds lukt het me eindelijk mijn zusje te bellen. Het doet me goed haar te horen en bij te praten. Telefoontjes met mijn familie in Nederland zijn erg belangrijk voor me. Ze zijn vaak het enige contact dat ik met ze heb.

Maandag

Het is heerlijk weer en ik wandel met Fahri, de eigenares van het huis waarin we een etage huren, door de tuin en vinden de eerste levenstekenen van de tulpenbollen die ik afgelopen najaar heb geplant. Het contrast is groot als ik het huis binnenloop en op de televisie beelden zie van de gevechten in Macedonië, niet meer dan 50 kilometer hiervandaan. De grens blijft dicht en Wina kan niet terugkomen. 's Avonds ben ik thuis en wacht op haar telefoontje. De verbinding is zo slecht dat we geen verstaanbaar woord kunnen wisselen.

Dinsdag

Drugsgebruik is een toenemend probleem in Kosovo en het aantal arrestanten met ontwenningsverschijnselen neemt toe. UNMIK, het tijdelijke bestuur van de VN in Kosovo, heeft, zoals op zoveel gebieden, nog geen beleid ontwikkeld en vraagt de WHO om hulp. Ik hoop dat we kunnen helpen om protocollen te ontwikkelen en medisch personeel te trainen. Over enkele weken start de WHO een onderzoek naar drugsgebruik onder de jeugd in Kosovo en we kunnen ons dan ook richten op de problemen in gevangenissen. Ik bezoek de gevangenis in Priština en de situatie is beroerd. Vier gevangenen op een cel, stinkende toiletten en douches, een zeer kleine luchtplaats waar je niet meer kunt doen dan kleine rondjes lopen. De gevangenen hebben niets te doen, maar daarentegen is het eten vele malen beter dan wat de kinderen in het tehuis voor slechthorenden krijgen. We maken wrange grapjes.

Goed nieuws! Ik krijg bericht dat de financiering voor de training voor huisartsen waarschijnlijk rond is. Een enorme opluchting, we hoeven de training van 350 artsen niet te stoppen.

Woensdag 7 maart

De grens zit nog steeds potdicht. Ruim 250 hulpverleners zitten vast in Macedonië. We proberen voor ons personeel plaatsen te vinden in de helikopters die door de VN zijn ingezet. In de middag gaat de grens open, maar alleen voor personeel van internationale organisaties en niet voor Kosovaren en goederen die voor de grens staan te wachten, zoals twaalf vrachtwagens met medicijnen en tankwagens met brandstof. De reservevoorraad brandstof van de VN in Kosovo is slechts genoeg voor een week, omdat alle opslagplaatsen door de NAVO zijn gebombardeerd. Er dreigt een tekort en de VN heeft brandstof sinds gisteren gerantsoeneerd. Vandaag sluiten sommige organisaties hun kantoren vroeger omdat ze onvoldoende brandstof hebben om de generatoren te laten draaien die nodig zijn om de vele elektriciteitsuitvallen op te vangen.

Vandaag schieten Amerikaanse soldaten op Albanese rebellen in Macedonië. NAVO en de VN werden anderhalf jaar geleden als bevrijders Kosovo binnengelaten. Ik hoor de eerste verhalen over samenzwering met het regime in Belgrado en ben bang dat dit het begin van een ommekeer zou kunnen zijn in de relatie tussen de internationale gemeenschap en de bevolking in Kosovo.

Terwijl ik de laatste zinnen van dit dagboek schrijf valt de stroom weer eens uit. Ik ben er aan gewend, belangrijker is dat Wina weer terug is.