Dwaze vader

Argentinië is dezer dagen voor Nederlanders vooral Máxima en Jorge Zorreguieta. Over twee weken, op 24 maart, is het precies 25 jaar geleden dat militairen onder leiding van generaal Videla in Argentinië de macht grepen en hun terreurbewind vestigden. Familieleden van de slachtoffers van het militaire regime worstelen nog dagelijks met de gevolgen van de staatsgreep.

Een vader in het Argentinië van de open wonden.

Hij heeft al een paar uur zitten vertellen, ongemakkelijk in een te diepe stoel in zijn werkkamer, in de benauwende hitte van de Argentijnse nazomer. Dan staat Santiago Mellibovsky (83) met moeite op – een recente virusinfectie heeft van zijn linkerbeen een slepende last gemaakt – en schuifelt naar zijn bureau. ,,Ik heb een geheim'', zegt hij, maar half schertsend. Uit een stapel papieren op het bureau haalt hij een kleine foto tevoorschijn. ,,Zelfs mijn vrouw weet niet dat ik die hier bewaar.'' Ik mag de foto vasthouden, en voor de tweede keer in een week tijd kijk ik in de ogen van de 29-jarige Argentijnse vrouw die een kwart eeuw geleden verdween in het zwarte gat van de militaire dictatuur.

Was het, een paar dagen eerder, de vader of de dochter die ik het eerst zag op de Plaza de Mayo in het centrum van Buenos Aires? Santiago, pet op tegen de zon, donkere bril, een beetje krom, leunend op zijn stok, breekbaar maar sterk, zag mij aantekeningen maken en wierp mij een blik toe die wilde zeggen: `ik, wij zijn je verhaal'. Graciela keek mij aan vanaf het opengeknoopte witte overhemd van haar vader. Haar beeld – de laatste foto die van Graciela was gemaakt, een paar weken voor haar verdwijning – was vastgelegd op een grote ronde button; memento en aanklacht tegelijk.

Sinds de eerste bijeenkomsten in het voorjaar van 1977, in de hoogtijdagen van de militaire dictatuur, is Santiago Mellibovsky elke donderdagmiddag te vinden op de Plaza de Mayo. Vaak in gezelschap van zijn echtgenote Matilde (,,de 70 al voorbij''), lid van de `dwaze' Moeders van de Plaza de Mayo, maar dan van de afsplitsing Línea Fundadora, de `oorspronkelijke lijn'. Het bijvoeglijk naamwoord `dwaas' danken de Moeders aan de politieagenten die hen zo noemden en tijdens de eerste bijeenkomsten op het plein – waar ze over hun verdwenen kinderen spraken – sommeerden door te lopen. De Moeders deden dat toen in rondjes om de piramide op de Plaza de Mayo, en doen dat 24 jaar later nog steeds.

De afgesplitste Moeders lopen er op hetzelfde tijdstip als de andere Moeders en de grootmoeders, maar blijven op enige afstand. Ze hebben een eigen tafeltje op het plein, een aantal meters van de andere Moeder-stand, waar boeken, video's, ansichtkaarten, pennen en T-shirts worden verkocht. Om de piramide is op de straatstenen een cirkel getrokken en zijn witte hoofddoekjes geschilderd; het symbool van de Moeders. Vanuit de Casa Rosada, het regeringspaleis aan de oostkant van het plein, houden politie en militairen de wekelijkse betoging in de gaten. Als de oudjes te dichtbij dreigen te komen, stellen ze zich breed op voor het paleis. Op het dak loeren sluipschutters.

Veel moeders, grootmoeders en andere familieleden zijn er die donderdagmiddag niet. Hooguit zo'n dertig. Toeristen blijven belangstellend staan. Sommige porteños, zoals de inwoners van de havenstad Buenos Aires worden genoemd, lopen met snelle pas voorbij, zonder de Moeders een blik waardig te gunnen. ,,Het is vakantietijd'', zo verklaart Santiago de lage opkomst. ,,En het is eigenlijk veel te warm voor die oude mensen. Bovendien ontvallen ons na 24 jaar demonstreren steeds meer Moeders.'' Santiago kan de traditionele rondjes niet meer meelopen. In de schaduw van een boom kijken we samen naar de vastberaden vrouwen die met hun hoofddoekjes en handtassen in de brandende zon lopen. Ik vertel Santiago waar ik vandaan kom, en dat Nederland in de ban is van een andere Argentijnse vrouw en haar vader. Ik vertel hem geen nieuws. De zachtheid die tot dan toe in zijn stem heeft geklonken verdwijnt, als Santiago zegt: ,,Zorreguieta was geen directe onderdrukker, maar een administrateur voor de fascisten.''

Het grote blauwe spandoek waarachter de moeders die donderdagmiddag lopen, heeft als leuze Vivir combatiendo la injusticia: `leven (om) het onrecht te bestrijden'. Op een ander spandoek staan de onverzoenlijke, onverzettelijke teksten die de gestaalde voorzitter van de Moeders, Hebe de Bonafini, kenmerken. `We verzoenen ons niet. We vergeten niet. We vergeven niet. Geen stap achteruit.'

Santiago Mellibovsky wil ook niet vergeten. Hoe zou hij ook kunnen? ,,Een week nadat ze was verdwenen, kregen we een telefoontje. Het was Graciela. Ze sprak met grote moeite, duidelijk met de stem van iemand die zwaar gefolterd was. Ik vroeg haar: `Graciela, waar ben je?' `Dat kan ik je niet vertellen, papa.' `Wanneer zullen we elkaar weer zien?' `Nooit meer, papa. Ik hou veel van jullie.' Toen hing ze op. Ze hadden haar één afscheidstelefoontje toegestaan. Dat was het. Daarmee hield alles op. We hebben nooit meer iets van haar gehoord.''

Santiago moet weg. We besluiten een paar dagen later bij hem thuis verder te praten.

Dit is niet het huis van waaruit Graciela verdween'', zegt Santiago als we ons gesprek van de Plaza de Mayo hervatten in de vierkamerflat van de Mellibovsky's in de chique wijk Palermo. Geluiden van de nabijgelegen winkelstraat dringen door de openstaande ramen naar binnen. Een blaffende hond, een toeterende auto, een sirene. Een ventilator strijdt wanhopig tegen de middagwarmte. Niet al te ver hier vandaan is het tentoonstellingsterrein van de Sociedad Rural Argentina. Daar reed Jorge Zorreguieta als staatssecretaris van Landbouw tijdens de dictatuur, staande naast generaal Videla, in een open auto een triomfrondje. Daar zong hij de lof van het `Proces van Nationale Reconstructie', zoals de officiële benaming van de dictatuur was. Niet al te ver uit de buurt ook waren Chupaderos, de doorgangshuizen waar de militairen hun slachtoffers vasthielden, martelden en van waaruit ze hen lieten verdwijnen – in een massagraf, in de Río de la Plata of in het niets.

,,We woonden toen elders in de stad, in een groot huis waar we in totaal 33 jaar hebben doorgebracht: Matilde en ik, Graciela en haar jongere broer Leonardo. Op een avond kwamen ze, allemaal in burger. Ze zeiden dat ze van de gezamenlijke strijdkrachten waren. Dat ze een opdracht moesten uitvoeren: `Als we uw dochter tegenkomen, zullen we haar onmiddellijk executeren'. Maar ze begingen een fout. Ik had in die tijd een grote fabriek met tientallen arbeiders. Voor hen had ik identiteitspasjes laten maken die ze bij militaire controles konden laten zien. Toen ik een keer zo'n pasje stond te maken, zei Graciela tegen me: `Papa, waarom geef je mij er ook niet een?' Dat heb ik gedaan. Maar toen de militairen in burger bij ons kwamen, lieten ze me een van die pasjes zien, en vroegen: `Bent u de eigenaar hiervan?' Ze hadden hem van Graciela afgenomen. Toen wist ik dat ze haar al hadden. Ze lieten me ook een granaat zien. `Hiermee kunnen we een huis opblazen', zeiden ze.

Graciela Mellibovsky verdween op 25 september 1976, een half jaar na de staatsgreep door de chefs van de drie Argentijnse krijgsmachtonderdelen, Videla (leger), Massera (marine) en Agosti (luchtmacht). Een groep prominente burgers, onder wie Martínez de Hoz (de latere superminister van Economie) en Zorreguieta, had voorbereidend werk verricht. Een groot deel van de Argentijnse samenleving had de coup verwelkomd.

Twee weken voor haar verdwijning was Graciela 29 geworden. Ze was al een paar jaar afgestudeerd in de politieke wetenschappen en een veelbelovend statistica die een werkkring had gevonden bij het water- en energiebedrijf van de Argentijnse staat. Ze was ook, zo ontdekten haar ouders lang nadat ze was verdwenen, actief lid van de geradicaliseerde links-peronistische jeugdbeweging Montoneros, één van de belangrijkste doelwitten van het militaire regime.

,,Direct na het laatste telefoontje van Graciela zijn we naar de rechtbank gegaan en hebben we een verzoek tot habeas corpus (fysieke voorgeleiding van een gedetineerde) ingediend. Dat hebben we bij verschillende rechtbanken gedaan. De kosten daarvan waren uiteraard voor eigen rekening, zo werd gezegd. We gingen ook naar de toenmalige organisaties voor de rechten van de mens, die het steeds drukker kregen. We gingen zelfs naar het regeringspaleis Casa Rosada. Nergens stond ze als gedetineerde geregistreerd. Er was geen spoor meer van haar te bekennen. De American Statistical Association, waarvan ze een fellow was, heeft ook nog tevergeefs bij de militaire regering gepleit bij de zoektocht te helpen.''

Ten tijde van haar arrestatie woonde Graciela ook, zo bleek later, in een huis dat ze deelde met een vrouwelijke arts. Dat pand werd na haar aanhouding door de militairen met granaten vernield. Santiago: ,,De eigenaar van het pand wilde nog een proces tegen ons aanspannen wegens de vernielingen door de militairen. Alsof het de schuld van mijn dochter was. `Zet alle advocaten maar in die je kunt vinden', zei ik, `je gaat toch verliezen. En als je wint, dan betaal ik niet'. In de kranten stond een berichtje dat het huis van `twee subversieve militantes' was vernietigd. Het label `subversief' was al voldoende om te worden gedood. Ik weet niet of Graciela zich met gewapende strijd bezighield. Met ons sprak ze nooit over politiek, maar ze was een activiste. Dat hoorden we pas later van kameraden van haar die zelf ook zijn verdwenen.''

Graciela leek van de aardbodem verdwenen te zijn. Santiago had alleen de foto die kort voor haar verdwijning nog was gemaakt. Haar kamer in het huis van haar ouders was door de militairen helemaal overhoop gehaald. Stapels `subversieve' boeken hadden ze afgevoerd. ,,Op de vloer was een document achtergebleven dat mijn vader aan Graciela had gegeven. Het is de originele akte waarin mijn grootvader León in 1894 gedwongen afstand deed van het inwonerschap van zijn woonplaats in de Oekraïne en verklaarde er nooit meer terug te zullen keren. Hij was er als jood niet gewenst en is toen naar Argentinië geëmigreerd.'' Santiago zwijgt even en zegt dan indringend: ,,Tijdens het militaire bewind waren er verhoudingsgewijs meer joodse slachtoffers. Ik hoorde later van twee joodse vrouwen die hun detentie hadden overleefd, dat de joden twee keer zo hard werden gemarteld als de anderen. Hun beulen lieten hen Deutschland, Deutschland über Alles zingen en folterden hen onder de afbeelding van een swastika.'' Eén van hen, Alicia Partnoy heeft de verschrikkingen die haar overkwamen, verwerkt in het in 1986 uitgekomen boek The Little School.

De zoektocht naar hun dochter heeft Santiago en Matilde Mellibovsky eind jaren zeventig ook naar Nederland gebracht. In een Argentijns tijdschrift lazen ze over een vliegramp in de Andes waarvan de slachtoffers waren opgespoord door een Nederlandse paragnost, een zekere Gerard Croiset. Via het toenmalige Parapsychologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Utrecht kwamen ze bij de in 1980 overleden ziener terecht. ,,Het was ongelooflijk'', zegt Santiago. ,,Zonder ooit in Buenos Aires of in Argentinië te zijn geweest, ik geloof zelfs zonder ooit Nederland te hebben verlaten, kon Croiset exact plekken beschrijven in Buenos Aires die we later direct konden terugvinden. Hij kon ons een plaats aanduiden waar Graciela vermoedelijk was vastgehouden. Het is mogelijk dat ze gedetineerd is geweest in de kazerne van het Eerste Regiment Infanterie aan de Plaza Italia. Maar natuurlijk weten we dat niet zeker.'' Na de dictatuur bleek dat er in Argentinië tussen 1976 en 1983 ten minste 360 clandestiene detentiecentra zijn geweest.

Na de terugkeer van de democratie in 1983 bleven Santiago en Matilde doorgaan met hun zoektocht naar Graciela. Niet dat ze enige hoop hadden haar nog levend te zullen terugzien. Graciela was één van de vele desaparecidos, de duizenden Argentijnen die tijdens de `vuile oorlog' van het militaire bewind zijn verdwenen en van wie tot nu toe geen spoor is teruggevonden. Matilde Saidler Mellibovsky schreef in 1991 het boek Círculo de Amor sobre la Muerte (Kring van Liefde over de Dood) over haar ervaringen en die van negentien andere moeders van verdwenen Argentijnen. Santiago, die ondanks zijn hoge leeftijd nog leiding geeft aan zijn bedrijf, heeft zich aan de monnikentaak gezet om de foto's van zoveel mogelijk desaparecidos bijeen te brengen. Dat moet leiden tot een fotoarchief bij het Centrum voor Juridische en Sociale Studies (CELS), één van de organisaties die zich bezighouden met de gevolgen van de vuile oorlog. Bovendien komen de foto's op een speciale internetsite (www.sinolvido.org), die Santiago vanuit zijn werkkamer voedt met de gezichten van een verloren generatie.

Zelfs als de Mellibovsky's er de voorkeur aan hadden gegeven hun verdwenen dochter te vergeten, dan nog zou de Argentijnse staat dat onmogelijk maken. Bij elke verkiezing prijkt Graciela's naam weer op de lijst van stemgerechtigden onder die van haar ouders. Santiago vertelt het feitelijk en haalt de schouders op. ,,De verdwenen zoon van vrienden krijgt nog steeds een oproep als lid van een stembureau.''

Er is, een kwart eeuw na haar verdwijning, nog ,,een mogelijke hoop'', zoals Santiago het uitdrukt, op een aanwijzing waar Graciela's stoffelijke overschot is terechtgekomen.

,,Op een dag, nog niet zo lang geleden, kregen we bericht van de mensen van CONADEP, de overheidsorganisatie die zich bezighoudt met de desaparecidos. `Kom met ons mee', zeiden ze. `Op een begraafplaats' – ik kan je nu nog niet zeggen welke – `zijn acht lijkkisten ontdekt, waarvan één van een vrouw'. De begraafplaats was zo gebouwd, dat hij tijdens de dictatuur goed dienst kon doen als clandestien massagraf. Ze kwamen via een gat in de ene muur binnen, dumpten de lijken, en gingen er via een andere muur weer uit. Nu zijn er forensisch antropologen aan het werk. Meer kan ik je er niet over zeggen.''

De geheimzinnigheid verbaast. Vooral na zijn openhartigheid, na uren praten (,,Er over praten is voor mij een uitlaatklep'', zal hij bij het afscheid zeggen) en al die details over Graciela, over hemzelf, hun afkomst en hun leven in Argentinië. Zeker over de opgravingen kan in het moderne, democratisch geregeerde Argentinië toch openlijk worden gesproken? Of vergis ik me?

,,Je vergist je. Vandaag de dag nog worden mensen voor veel minder dan dit omgebracht. De angst is nog lang niet voorbij.'' En meer zegt hij hier niet over.

De deur van de benauwde werkkamer gaat open en Matilde komt binnen. Ze is een kleine, frêle vrouw met een heldere oogopslag. ,,Santi, ben je je gast nog steeds aan het vervelen met die verhalen'', zegt ze plagerig. Ze verontschuldigt zich voor het feit dat ze zich afzijdig heeft gehouden; ze voelt zich niet goed. We praten even over de Moeders, over Máxima Zorreguieta en over de dubbele houding van Nederland ten tijde van de Argentijnse dictatuur. Terwijl Argentijnse vluchtelingen Nederland binnenstroomden, werden hun minder fortuinlijke kameraden uit de door Nederland geleverde Fokker-vliegtuigen van de Argentijnse luchtmacht geworpen. En dan dat vermaledijde WK-voetbal in 1978. Maar Matilde ziet het anders. ,,De Nederlandse verslaggevers die naar Argentinië waren gekomen voor het WK zijn ook bij ons komen kijken op de Plaza de Mayo. Wij hebben dat destijds als een enorme steun ervaren.''

In de door juristen opgerichte organisatie voor de rechten van de mens, CELS, ontmoetten de Mellibovsky's lotgenoten van wie sommigen vrienden werden. Maar de confrontatie met hetzelfde verdriet, door anderen beleefd, bleek te overweldigend.

Santiago: ,,Een echtpaar was een zoon kwijtgeraakt, terwijl zij zelf door militairen uit hun huis waren gehaald en blootgesteld aan een schijnexecutie. Het ging sindsdien erg slecht met ze. De vrouw overleed uiteindelijk aan een gescheurde slagader. Haar man kon niet tegen de eenzaamheid en heeft zich van het balkon gegooid. Een andere vader was advocaat en afgevaardigde in het Congres. Hij was de enige in zijn fractie die het over de rechten van de mens had. Ook hij heeft zelfmoord gepleegd.

,,Hebe de Bonafini, de voorzitster van de Moeders van de Plaza de Mayo, zegt altijd: `de vaders waren met andere dingen bezig'. Maar zo is het niet. Wij waren niet met andere dingen bezig. We moesten het huis beschermen en voor inkomen zorgen. Maar we stonden naast de moeders. Nee, ik huil niet meer. Toen ik in de Casa Rosada informatie over Graciela probeerde te krijgen, toen heb ik gehuild. Een militair zei dat ik moest ophouden. `Mannen huilen niet', zei hij. Wat zullen ze zich hebben vermaakt met ons verdriet. Of ik een `dwaze vader' ben? Ja, een beetje dwaasheid zit er wel in. Ik ben door mijn werk met de foto's van de desaparecidos dagelijks bezig met duizenden doden. Hoe kan je dan geestelijk in evenwicht blijven?''

Een week na ons gesprek in Buenos Aires stuurt Santiago een e-mail waarin hij nog een aantal zaken opheldert. Hij eindigt met: ,,Wij blijven zoeken naar Graciela Mellibovsky.''